Jet
Tekst: Jet

Thuis
Of we het erg vinden een uur of vier te rijden? Onze pas afgestudeerde collega geeft een feestje en doet dat liefst niet op haar kamer, maar bij haar ouderlijk huis, ver weg. Niemand die er problemen mee heeft. Het feest wordt zo een echt uitje en het bijpraten tijdens de rit is meteen een mooie vorm van teambuilding. Eenmaal gearriveerd, weten we onmiddellijk dat deze locatie de enige juiste is. Een tuin vol bloeiende rozen. Een enorme Aga-cooker waar verrukkelijke geuren uit komen. Hartelijke ouders, die af en aan lopen om ons te verwennen. Bij de boekenkast en brandende kaarsen tafelen we lang na. Een echt thuis, denk ik op de terugreis. Wat mooi als je kind zomaar met acht collega's wil en mag aanschuiven! En ik droom ervan dat de vrienden van ons kroost zich later ook zo welkom zullen voelen in ons eigen huis. Vooralsnog lijkt de gastvrijheid hier echter ver te zoeken. Als ik diep in de nacht terugkom, zit de sleutel nog in de achterdeur. Ik kan er niet in. Aankloppen helpt niet. Aan de deurbel trekken evenmin. Ik pak mijn mobiel en hoor door de open ramen boven een telefoon overgaan naast ons bed. Zonder resultaat. Nog maar eens kloppen, weer bellen. Over mijn schouder kijk ik ongerust naar het zwarte silhouet van het buurhuis dat achter de heg oprijst. Gaat daar nog geen lamp aan vanwege het kabaal dat ik maak? Door het donker loop ik naar de koekoek achter het huis en steek mijn hoofd erin. Het kelderraam staat op een kier. „Benjamin?" roep ik op gedempte toon. „Bennie!" Een slaperig stemmetje klinkt in de kamer beneden. „Jaha?" Zoonlief verlaat zijn bed om papa wakker te schudden en twintig minuten na aankomst sta ik eindelijk in de woonkeuken. Op tafel liggen twee briefjes. Van Harmen: „Graag even naar Bennie! Hij vindt mama zoooo lief... Ik trouwens ook, hoor!" En van Roos: „Welkom thuis."
|