Ds. J.W. Verweij: van militair tot dienaar

Ds. Verwey_ Zwijndrecht - 1e gemeente H.I. Ambacht - Ren _5_

Van de opleiding tot sergeant-majoor elektronisch monteur stapte beroepsmilitair Johan Verweij over naar de theologische school in Rotterdam. Waarna hij dienaar werd van de gemeente van Hendrik-Ido-Ambacht. „Het welbehagen des HEEREN gaat niet door mijn hand, maar door die van Christus gelukkiglijk voort.”

Na een zwerftocht door het hele land keerde het echtpaar Verweij terug naar Hendrik-Ido-Ambacht, de plaats waar ds. J.W. Verweij (84) zijn loopbaan als predikant begon. Johannes Wilhelmus had hij moeten heten, maar door de zenuwen kortte zijn vader het bij de ambtenaar van de burgerlijke stand af tot Johan Wilhelm.
Tijdens zijn opleiding elektro aan de lagere technische school in Den Haag raakte hij geïnteresseerd in radartechniek. Omdat de burgersamenleving daarvoor geen opleiding bood, besloot hij beroepsmilitair bij de Koninklijke Landmacht te worden. „Ik ben gestart aan de Koninklijke Militaire School in Weert, die toen nog Onderofficiers School heette. Ook mijn kleinzoon die bij de Luchtmobiele Brigade zit, is daar begonnen. Mijn vader was er gelegerd bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog.” Van Weert werd hij overgeplaatst naar de Hojel Kazerne in Utrecht, waar de basis radio-opleiding werd gegeven. „Een halfjaar later verhuisden we naar Ede, voor de radarvuuropleiding. In totaal ben ik elfenhalf jaar beroepsmilitair geweest.”
De knik in zijn loopbaan werd veroorzaakt door de ingrijpende verandering in zijn leven. „Mijn vader was ouderling in de gereformeerde gemeente van Den Haag. Ik wist hoe hij er steeds weer tegen opzag om zijn ambtelijk werk te verricht en publiek voor te gaan, dus dat was niet iets wat ik voor mezelf begeerde. Totdat er op 24-jarige leeftijd een radicale omkeer kwam.”

Aangenomen

Johan Verweij woonde toen in Nijmegen, waar hij met zijn vrouw tot de kleine –intussen opgeheven– gereformeerde gemeente behoorde. Incidenteel maakte hij een uitstapje naar de christelijke gereformeerde kerk. Ook op die bewuste zondag. „Dominee Den Hertog uit Den Haag preekte over de woorden: „Wiens wan in Zijn hand is en Hij zal Zijn dorsvloer doorzuiveren.” Als kaf ging ik de kerk uit. Voor het eerst voelde ik werkelijk dat ik God kwijt was.”
In de jaren erna keerde hij via De Bilt terug naar Den Haag. „Daar openbaarde de Heere op mijn 27e verjaardag iets van de Middelaar, onder de prediking van dominee K. de Gier. Toen kwam er al snel ook het verlangen om het Evangelie te verkondigen. Dat kon van geen kant, want ik was onbekwaam voor alle dingen in Gods Koninkrijk, maar de roeping liet zich niet verdringen.”
Met het attest dat hij van de kerkenraad ontving, meldde hij zich bij het curatorium in Rotterdam. „Ik werd afgewezen, het jaar daarna opnieuw. Intussen was ik in Den Haag tot ouderling verkozen. Predikant worden scheen onmogelijk, maar op een zondagavond in 1967 kwam de Heere over met de woorden: „Hij heeft ieder ding schoon gemaakt op zijn tijd.” Opnieuw ging ik naar het curatorium, die keer ben ik aangenomen.”

Eervol ontslag

Meteen doemde er een praktisch probleem op. Van de vierjarige opleiding tot sergeant-majoor elektronisch monteur, waarvoor hij had getekend, was nog maar een jaar verstreken. De verantwoordelijke majoor weigerde ontslag te verlenen. „Op advies van een diaken uit Den Haag die werkzaam was bij de staf van de Koninklijke Luchtmacht heb ik een gesprek aangevraagd met de hoofdlegerpredikant, een gereformeerde dominee. Met die man heb ik gedeeld wat ik ook aan de curatoren had verteld. Hij hoorde me aan en beloofde zijn medewerking. Uiteindelijk ontving ik eervol ontslag. In een weg van onmogelijkheid opende de Heere opnieuw de deur.”
Voor zijn superieuren en militaire medestudenten was het een onbegrijpelijke stap. Zelf moest hij zien te acclimatiseren aan de Theologische School in Rotterdam „Ik had een jaar nodig voor het omschakelen. Studeren was ik gewend, maar de stof en de sfeer waren totaal anders. Om wat bij te verdienen, ging mijn vrouw anderhalve dag per week werken op de loonadministratie van De Hollandse Betonmaatschappij.”

Bijzondere relatie

Omdat ds. De Gier als docent kerkrecht aan de theologische school was verbonden, kon hij vrijwel altijd meerijden met zijn predikant. „Hij werd mijn geestelijke vader. De Heere heeft zijn prediking voor mij willen gebruiken, dat geeft een bijzondere relatie.”
In 1971 zat de studie erop. Er volgden twaalf beroepen, waaronder het beroep van de gemeente van Hendrik-Ido-Ambacht. „Daar kreeg ik werkzaamheden mee. Negen jaar heb ik er met vreugde mogen dienen. In die jaren is een dochtergemeente in Alblasserdam ontstaan. De gemeente van Ambacht groeide van zeshonderd naar duizend leden, die van Alblasserdam telde bij mijn vertrek tweehonderd leden.”
Vrijwel alle arbeid in de eerste gemeente was nieuw. „Het avondmaal bedienen, dopen, pastoraat bij ernstig zieken en stervenden, begrafenissen leiden… Een jaar na mijn komst opende woon-zorgcentrum Nebo de deuren. Daarvan werd ik voorzitter. Omdat een aantal medepredikanten uit de classis vertrok, kreeg ik zeven consulentschappen. Soms moest ik op dezelfde dag een rouw- en een trouwdienst leiden. In de wintermaanden hield ik ook nog doordeweekse Bijbellezingen. Soms wist ik niet hoe ik alles klaar moest krijgen, maar de Heere heeft me nooit beschaamd. „Hulp van God verkregen hebbende, sta ik tot op deze dag”, om het met Paulus te zeggen.”

Recht snijden

Het preken bleef hem de meeste spanning bezorgen. Niet vanwege mensenvrees of kanselvrees, maar door de wetenschap het Evangelie recht te moeten snijden. „Dat is een heilige kunst, een wonder van boven. Vanuit jezelf kun je het niet. Het gaat om zielen die aan je zorgen zijn toevertrouwd. Straks sta ik met die mensen voor het aangezicht van de hemelse Rechter. In mezelf kom ik alles tekort. Het is genade als de Heere je gebruikt als een gebroken instrument waarmee Hij een rechte slag slaat in het leven van zondaren, tot waarachtige bekering.”
Als beginnend predikant had hij veel steun aan ds. D. Hakkenberg, die toen in Dordrecht stond. En aan de kerkenraad. „Vooral ouderling Scheurwater werd een vaderlijke vriend. De sfeer was gemoedelijk, soms iets te. Bij kerkenraadsvergaderingen was het gebruikelijk om te laat te komen. Daar heb ik gauw een eind aan gemaakt. Halfacht is halfacht; daarin hield ik iets van mijn achtergrond. Ze zeiden ook dat ik naar de preekstoel marchéérde, maar dat is er wel af, want ik heb knap last van slijtage in mijn rug.”
Als pastor probeerde hij met de gemeenteleden „mee te denken, mee te leven, mee te zuchten en mee te bidden. Vanuit het besef dat we ten diepste slechts één ding nodig hebben: de bloedgerechtigheid van het Lam. Alleen daarmee kunnen we God ontmoeten. Dat probeerde ik de mensen niet alleen op de kansel, maar ook in de huizen voor te houden.”

Emoties

De ingrijpendste gebeurtenis in zijn eerste gemeente was het verdrinken van een 3- jarig kind in een bouwput waarin water stond. „De kleine Simon. Dat soort dingen raak je nooit meer kwijt. Op zulke momenten beleef je te meer dat de Heere je woorden moet geven. Dat bleef zo. Wel doe je in de loop der jaren meer mensenkennis op, en kun je gebruikmaken van ervaringen.”
In 1980 kreeg hij een beroep van buurgemeente Ridderkerk. Het was geen vraag of hij dat moest aannemen. „De eerste zondag na het afscheid van ds. Mijnders preekte ik daar in een middagdienst. De Heere gaf me die gemeente toen mee. ’s Avonds preekte ik weer in mijn eigen gemeente, maar het leek wel een vreemde gemeente. In de week waarin ik het beroep kreeg, overleed ouderling Scheurwater. Beide zaken gaven me veel emoties.”
De gemeente van Hendrik-Ido-Ambacht hield een bijzondere plaats in het leven van de predikant en zijn echtgenote. Zeven jaar geleden betrokken ze een appartement in Neborgh, het appartementencomplex bij Nebo. De bejaarde emeritus predikant gaat nog elke zondag twee keer voor. „Als God het geeft hoop ik in september vijftig jaar predikant te zijn.”
De belangrijkste les in zijn leven was leren dienaar te zijn. Van het Woord en van de gemeente.
„Dat is niet eenvoudig, want als mens ben je geneigd te denken dat jij het alleen weet of de dingen het scherpst ziet. Ook in het leidinggeven aan de kerkenraad moet je niet je eigen wil laten domineren. De meerderheid beslist.” Tegelijk probeerde hij wel duidelijk leiding te geven.
„Op kerkelijke vergaderingen wordt vaak te veel gesproken over bijzaken en te lang gewacht met het nemen van een besluit. Dat doet de zaak meestal geen goed. Als iedereen zijn mening heeft gegeven, moet je de knoop doorhakken. Híér staan we en zó varen we.”
In vrijwel al zijn gemeenten had hij te maken met uitbouw of nieuwbouw van het kerkgebouw, steevast een gevoelig punt. „In Yerseke legden we als kerkenraad een voorstel voor aankoop van grond en nieuwbouw van de kerk aan de leden voor. Het merendeel stemde tegen. Daar had ik vrede mee. De gemeente beslist. Er is wel gezegd dat ik een betonmolen achter mijn auto meenam naar elke nieuwe gemeente, maar dat is onzin. Ik heb afgeleerd dat de dingen volgens mijn plan moeten verlopen. Christus is door de Vader gegeven als de grote Diaken. Uit die gift vloeit alles voort wat een mens moet leren op de Goddelijke leerschool. In de eerste plaats jezelf verloochenen. Het welbehagen des HEEREN gaat niet door mijn hand, maar door die van Christus gelukkiglijk voort. Dat is een verootmoedigende én een troostrijke boodschap.”

Stem

Na vijftig jaar dienstwerk concludeert hij: „Als predikant ben je niet meer dan een stem. Om de boodschap door te geven die God op je ziel heeft gebonden. Dat Hij Zijn ontfermende handen omwille van de doorboorde handen van Zijn Zoon uitstrekt naar allen die onder de bediening van het Evangelie zitten. Hij heeft geen lust in onze dood, maar daarin dat we ons bekeren en léven. Met die boodschap begon ik en die breng ik nog steeds.”

beeld: Renate Bleijenberg-van Leeuwen

Smaakt Terdege naar meer?

En wil je de andere artikelen ook graag lezen?

Auteur

Huib de Vries

Volg ons lifestyle platform op instagram.