Geurstokjes van Zwitsal

Blog-mathilde30

Ik begreep het niet zo goed. De vragen: ”Hoe is het met jullie samen? Kunnen jullie er wel over praten?” Familie, vrienden, artsen, hulpverleners, mensen in de supermarkt, allemaal vroegen ze ernaar. Ik begreep het niet. ”Goed”, zei ik altijd. ”Gewoon goed.”

In de periode dat Jona geboren werd, stond onze wereld op z'n kop. Behalve man en vrouw waren we nu ook papa en mama, maar naast die nieuwe rol als ouders kregen we meteen een stoomcursus tot hulpverlener, kinderarts, fysiotherapeut en voedingsdeskundige. We leerden in record tempo de medische wereld kennen en werden door schade en schande wijs.

Ik liep voorop in de zorg voor Jona. Sebas was eerste vervanger. Hij wist praktisch alles wat ik ook wist, had alleen wat minder ervaring. En soms, soms wisten we allebei niet waar we mee bezig waren.

Pas na enige tijd kwam het besef dat we nu naast papa en mama ook nog steeds man en vrouw waren.

Een plan van aanpak hadden we niet. Gaandeweg kwamen we erachter hoe de ander met de situatie omging. Dat was niet altijd leuk. Dat zorgde heus weleens voor discussie en soms zelfs voor tranen. Maar het ging gewoon wel.

Ik heb altijd geloofd dat het onze kracht was dat we van elkaar zagen wat de ander nodig had en dat we accepteerden dat de ander sommige dingen anders deed. We lieten elkaar daarin vrij.

Ik wilde bij Jona zijn. Punt.

Sebas wilde ook bij Jona zijn, maar werkte daarnaast en wilde ook af en toe een avondje weg, een keer sporten of gewoon even de deur uit.

En dat was oké. De deal was rond. Hij liet mij vrij in wat ik wilde en accepteerde dat een avondje of een nachtje samen weg er niet in zat. Ik liet hem vrij en accepteerde dat hij er soms wel even tussenuit was. Dit betekende trouwens niet dat hij ieder weekend de hort op was, maar wel dat hij een keertje een avond met vrienden was, bij onze zwager voetbal ging kijken of een nachtje naar zijn zus en zwager ging, die ver weg wonen.

We zijn anders. Hij en ik. We zijn twee verschillende personen, met heel verschillende karakters en verschillende emoties.

En toch werkte dit.

We zagen elkaar.

We waren het niet altijd met elkaar eens, begrepen ook niet alles van elkaar, maar we zagen elkaar wel. En we zagen ook dat de een soms iets anders nodig had dan de ander. Dat was goed.

Ik wilde er alleen maar zijn voor mijn kindje. Tijdens ziekenhuisopnames betekende dit dat ik vanaf het moment van opname tot het moment van ontslag niet thuis was. Sebas moest dus naast zijn werk ook de klusjes doen die ik normaal gesproken deed. Familie sprong altijd bij, waardoor de was en het avondeten geregeld werd, maar die andere dingen kwamen voor zijn rekening. En hij deed het. Want hij wist hoe belangrijk het voor mij en Jona was, dat ik bij hem was. En hij wist ook dat als ik er was, de beste zorg voor Jona er was. Dat was ook voor hem een fijne gedachte.

Nu Jona niet meer bij ons is, zijn we nog wel ouders, maar het ouderschap is geen rol meer die we fysiek vervullen. Nu is onze hoofdrol weer man en vrouw. Toch voelde het niet alsof we opnieuw moesten beginnen. We zijn elkaar niet kwijtgeraakt in die twee jaar tijd. Het werkt nog steeds, hij en ik.

Niet alleen in die twee jaar tijd kwam van heel wat hulpverleners de vraag ”Hoe is het met jullie samen”, na het overlijden van Jona werd deze vraag mogelijk nog vaker gesteld. Familie, vrienden en bekenden, ze stelden allemaal deze ene vraag. Ik begreep het niet, beschouwde het als vanzelfsprekend dat we er voor elkaar zijn. Tot ik in een artikel las dat vijfenzeventig procent van de relaties en huwelijken sneuvelt na het overlijden van een kind.

Ik heb me altijd al een gelukkige vrouw gevoeld met deze man aan mijn zijde, maar nu prijs ik mezelf nog gelukkiger. Want wat een verdriet moet het geven als je naast je kind ook nog je partner verliest. Wat een verdriet als je elkaar niet begrijpt, niet troosten kunt en elkaar kwijtraakt in emoties, gesprekken en prioriteiten.

Sebas is de enige die mijn verdriet echt begrijpt. Want mijn kind is ook zijn kind. Geen ander persoon is ouder van Jona, dat zijn wij alleen. Niemand anders mist Jona zoals wij.

Sebas is de enige die verdriet van mijn hart tot in het diepste van zíjn hart begrijpt, want zijn hart voelt datzelfde verdriet.

En ook al zijn we verschillend en gaan we op een verschillende manier met het verdriet om, ten diepste begrijpen we elkaar.

In sommige opzichten komen we trouwens ook wél overeen. Huilen doen we vaak het liefst alleen. Allebei hebben we de behoefte om ons in dit verdriet terug te trekken en gewoon te huilen. Even geen arm om ons heen. Even geen woorden.

We zoeken elkaar altijd weer op, praten erover en voelen elkaars verdriet, maar verlangen tegelijk niet áltijd een arm, een schouder of een troostend woord van elkaar. Soms juist even niet.

Dat is hoe wij het doen. Dat is wat voor ons helpt.

Het verdriet er laten zijn, is vaak het enige, maar soms is dat toch moeilijk. Dan wil ook ik het liefst iets doen om het verdriet van Sebas weg te nemen, zijn tranen drogen en zeggen dat het wel goed komt.

Maar dat komt het immers niet.

Daarom stoppen we dit verdriet niet weg en bagatelliseren we geen gevoelens, gedachten of emoties van elkaar. We voelen geen gêne om elkaar te vertellen wat ons bezighoudt of waar we verdrietig om zijn. Verdriet en rouw brengt soms ‘rare’ gedachten of gevoelens met zich mee. Pas als je die uitspreekt, merk je dat ze helemaal zo raar niet zijn en dat de ander soms precies hetzelfde ervaart. Soms ook niet. Maar raar vinden we het ook dan niet.

Een voorbeeld: na Jona’s overlijden hebben we hem samen verzorgd, gewassen en aangekleed. We maakten zijn haartjes mooi met Zwitsal haarlotion. Op zijn kamertje, waar hij ook enkele dagen heeft gelegen, stonden geurstokjes van Zwitsal.

Nadat we Jona begraven hadden, verdroeg ik die geur niet meer. Iedere keer dat ik naar boven of beneden liep, kwam ik langs het kamertje waar die geurstokjes stonden en werd ik er misselijk van. Het deed me te erg denken aan zijn overlijden.

Dat voelt heel kwetsbaar. Het geeft verdriet en als je daarin onbegrip voelt bij de ander, schaadt dat, maakt dat nog kwetsbaarder. Ik sprak het uit en kwam er achter dat die geur bij Sebas precies hetzelfde opriep. Dat was een van de eerste momenten dat ik dacht: Ik hoef niet bang te zijn. Ik hoef niet bang te zijn dat mijn uiting van kwetsbaarheid bij hem niet in goede handen zou zijn. Het is veilig.

In het begin vergde het soms best even lef om dit soort dingen uit te spreken. Maar juist hierdoor leer je elkaar kennen in het rouwproces. En dat ervaar ik als iets heel waardevols. Ik zou meer voorbeelden kunnen noemen, maar dat doe ik niet. Juist omdat het iets van ons is, kwetsbaar en fragiel.

We hebben onze weg gevonden in de omgang met ons verdriet. Daarin voelen we elkaar aan en komen we overeen. Dat is heel fijn. Rouw zal er ons hele leven blijven. Nu is het nog vers. Hoe het er over een maand, over een jaar of over tien jaar uitziet, weten we niet. Maar ik vertrouw erop dat we elkaar niet kwijtraken, waar dan ook in dit rouwproces.

Dat durf ik best een geluk bij een ongeluk te noemen. Als ik de cijfers moet geloven, horen wij bij die kleine vijfentwintig procent die elkaar niet kwijtraakt na het overlijden van een kind en dat laat me realiseren dat het dus ook nog erger kan. We zijn oprecht dankbaar voor elkaar. Misschien juist nog wel meer dan voorheen. We zijn niet meer compleet, maar zullen voor altijd samen de trotse ouders zijn van onze Jona.

Auteur

Mathilde Beverloo-de Rooij

Volg ons lifestyle platform op instagram.