Mee-wenen

Een zaal vol verdriet. Zo’n honderd mensen waren naar de tweede avond van de vereniging ”Naamloos verdriet” gekomen. 

Een vereniging waarvan eigenlijk niemand lid had willen worden, dacht ik bij mezelf. De mensen kwamen uit alle windstreken en uit verschillende kerkverbanden. Verschillende leeftijden, verschillende persoonlijkheden. Eén ding hadden zij gemeenschappelijk: het verlies van een dierbaar kind. De oorzaken heel verschillend. Een (kortstondige) ziekte, een ongeluk, suïcide... Je luistert naar elkaar. Naar de pijn, naar de ervaring, naar wat ‘niet goed ging’ in de rouwverwerking. 
Wat dit laatste betreft: mensen kunnen ook van elkaar leren. Hoe ga je bijvoorbeeld om met eventuele andere kinderen in het gezin? Het gevaar is zeker aanwezig dat hun verdriet niet goed wordt opgevangen, dat er te weinig aandacht voor hen is. Een man vertelde mij eens hoe in zijn tienerjaren een jonger zusje was verdronken. Het verdriet van zijn ouders was destijds zo groot dat hij geen ruimte had kunnen geven aan zijn eigen verdriet. Pas jaren later kwam het verdriet in alle hevigheid terug. Hij moest er alsnog doorheen. Te weinig wordt beseft dat een voor het oog vrolijk kind een diepe wond kan meedragen. Vol indrukken ging ik die avond (het was heel laat geworden) naar huis. Van slapen kwam niet veel. Het spreken met mensen die een vergelijkbaar verdriet kennen, geeft een wonderlijke verbinding. In het lijden komen mensen dicht bij elkaar te staan. In zekere zin maakt Paulus gebruik van dit aspect van het gemeenschap hebben aan elkaar als hij schrijft over zijn verlangen om de Heere Jezus nog meer te mogen kennen, namelijk „in de gemeenschap Zijns lijdens” (Filip. 3:10). Zeker, het betreft hier in de eerste plaats een geestelijk lijden, maar er mag toch ook in het ‘tijdelijke’ lijden gemeenschap zijn met de Borg. 
Martha en Maria kunnen hierover meepraten. Ze begrepen hun lieve Meester niet, maar ze goten hun harten bij Hem leeg (Joh. 11:21 en 32). Jezus zei niet:  „Jullie behoeven in het geheel niet verdrietig te zijn, want het komt allemaal goed.” Zeker, het kwam goed. Maar eerst ging Hij mee-wenen. Zonder enige  terughoudendheid snikte Hij het uit. Zijn hele lichaam schokte. Hij „werd zeer bewogen in den geest en ontroerde Zichzelven” (Joh. 11:33b). Met onverhulde  verbazing hebben de Joden de wenende Zaligmaker gadeslagen. „Zie hoe lief Hij hem had”, zeggen ze tegen elkaar.
Ja, zo stond Hij naast Zijn vrienden. En zo is Hij nog. Gisteren, heden Dezelfde... En straks komt Hij terug om alle tranen van de ogen af te wissen. Tot die tijd is Hij een medelijdende Hogepriester, Die (zonder zonde) in alle dingen gelijk als wij verzocht is geweest (Hebr. 4:15). Als er iemand is die ons kan en wil begrijpen, dan is de Heere Jezus het wel. Hij weet uit ervaring wat het is om eenzaam te zijn, om te moeten rouwen. Met dit beeld van de Heere Jezus mag u, mag jij Hem aanroepen in uw nood. De dichter wist het: „Wie U aanroept in de nood, vindt Uw gunst oneindig groot” (Ps. 86:3 ber).

Woerden,
Ds. W.A. Zondag

Deel dit verhaal op sociale media

Over Terdege

Terdege is een reformatorisch familiemagazine dat wil inspireren, bezinnen en verrassen.

Abonneevoordeel

Maak gebruik van de mooie voordelen die we speciaal voor jou als abonnee hebben uitgezocht.