Rouwen. Hoe ziet dat eruit voor mij?

Van hoe ik zou rouwen, had ik altijd een beeld in m’n hoofd. Ik zag mezelf als vrouw met rode, dikke ogen van het huilen en verwilderd haar met een joggingbroek in bed zitten. Nu blijkt dat dit niet klopt. En gelukkig maar. Daaraan merk ik dat ik meer te verduren heb gehad in het leven. Hoe moeilijk het soms ook was, hoe weinig ik ook sliep en hoe zorgvol het allemaal ook was, ik kwam uit bed en zorgde voor Jona en mezelf. We douchten iedere dag samen en zagen er altijd verzorgd uit. En dat hielp!

Datzelfde houd ik me nu voor. In bed blijven liggen maakt het niet makkelijker. Uit bed gaan, mezelf verzorgen en een beetje in een ritme blijven, dat helpt me wel. Net als dat het me ook geholpen heeft voordat Jona overleed.

Terug naar het rouwen. Eerst kwam het eigenlijk niet echt bij me binnen dat Jona er niet meer was. Het moment dat hij overleed heb ik gehuild. Heel hard. Daarna niet meer, niet dat ik me kan herinneren in ieder geval. Natuurlijk liepen een aantal keer per dag mijn ogen vol met tranen, maar echt huilen? Nee.
Ik had die eerste week het gevoel dat ik degene was die de mensen moest troosten. Tijdens het condoleren kwamen de mensen verslagen en huilend binnen. En ik? Ik stond daar met droge ogen m’n tijd uit, met nog net geen vriendelijke glimlach om m’n mond.

Mensen vroegen me of ik wel kon slapen. Ik? Slapen? Was dat écht een vraag? Zodra ik m’n kussen aanraakte, sliep ik. Ik wist niet eens meer dat ik in bed was gaan liggen.
Misschien had het ermee te maken dat ik in de voorgaande 96 uur maar zo’n zes uurtjes slaap had gehad. En dat ik in de weken dáárvoor per nacht gemiddeld vier uur sliep. Maar misschien had ik ook wel zo’n gigantische tik gekregen dat ieder gevoel in mijn lichaam lamgeslagen was en ik gewoon deed wat er van me verwacht werd.
En misschien had het er ook nog mee te maken dat er op dat moment ook een kindje van zeven weken in mijn buik aan het groeien was.

Je zult denken dat al deze factoren bij elkaar niet kunnen. Geen enkel mens trekt zó weinig slaap. Ik verzeker je: met hulp van Boven kun je alles. Ik durf dat te zeggen omdat ik het ook echt zo ervaar. Twee jaar lang heb ik gezorgd, verzorgd en gestreden. Als een tijger. Niets dan alleen het beste voor Jona. Ik vroeg heel veel van mezelf. Tijdens ziekenhuisopnames, als ik er zelf bijna doorheen zat, week ik niet van zijn zijde. Hij had me nodig en er was altijd kracht om door te gaan. Dan dringt het door dat je dat niet van jezelf kunt. Hoe vaak mensen wel niet tegen mij gezegd hebben: ‘Ja, maar ook bij jou is het een keer op!’
Ik heb nooit hoeven ervaren dat het écht op was. Wel heb ik een aantal keer op het randje gebalanceerd, maar ook door die tijden ben ik heen geholpen.
Ik vroeg iedere dag om nieuwe kracht. En soms, als ik dan ’s avonds in bed lag, maakte ik me zorgen over de dag erna. Soms waren de dagen zwaar en leek de situatie uitzichtlozer dan ooit. Maar op die momenten mocht ik vertrouwen. Morgen weer nieuwe kracht... Je krijgt precies voor elke dag genoeg kracht en meer had ik niet nodig.
En in de laatste weken dat Jona bij ons was heb ik een kracht ervaren van ongekende omvang. Zoals ik hierboven al beschreef. Zo weinig slaap, zo veel zorgen, zo veel verdriet. Geen mens die dat zo vol kan houden.
Ken je het gedicht ”Voetstappen in het zand”? Dat gaat erover dat je, op de momenten dat je zelf niet meer kunt, gedragen wordt door Hem. Hij draagt je door de zwaarste momenten van het leven heen. En dat heb ik mogen ervaren. Niet mijn kracht, maar Zijn kracht. En nadat Jona overleden was, kon ik rusten. Of nou ja, rusten... ik hoefde niet meer te strijden.

Ik moet terugdenken aan de dag van de begrafenis. Die morgen zat ik zat aan het ontbijt en dacht: hoe moet ik dit nu allemaal doen zo meteen? Wij zouden Jona samen met mijn broer en schoonzus dragen. Eerst de kerk in, daarna naar zijn laatste rustplaats. Hoe kon ik dat? Hoe kon ik nou mijn eigen zoon het huis, ons en zijn thuis, uit dragen?
Ook zou ik voorin de kerk een in memoriam uitspreken. Ik zag er zo tegenop, ik voelde me absoluut niet sterk genoeg om deze taken te volbrengen. Ik voelde me moe en zwak. En toch is het gelukt. Ik kon in alle rust voor in de kerk staan, het in memoriam uitspreken. We hebben met z’n vieren Jona kunnen dragen, tot aan zijn laatste rustplaats.
En het was goed. We hebben het helemaal mogen en kunnen doen zoals wij dat graag wilden. Maar niet in eigen kracht.

Na die week viel het stil. De begrafenis was geweest en nu begon het eigenlijk pas echt. We huilden iedere dag en vroegen een paar keer per dag aan elkaar hoe het met de ander ging. Natuurlijk waren we verdrietig, maar we zochten ook afleiding.
Ik was nog steeds erg moe en ging iedere middag een poosje slapen.
Maar we deden het echt goed. We kwamen ons bed uit, trokken normale kleren aan, verzorgden onszelf en aten goed.
Ik voelde ergens wel dat de klap nog zou komen, maar ik voelde me ondanks alles niet perse heel labiel. Het was op dat moment erger dan ik had verwacht.

En toen kwam er een moment dat er iets knapte in mijn hoofd. Alsof ik het tot die tijd wel aankon, maar opeens was het klaar. Nu was het genoeg geweest, nu wilde ik hem terug. En dan is de realiteit hard. Keihard. Hij komt niet meer terug. Wanhopig zocht ik hem, hij moest toch ergens zijn? Maar het huis was leeg.
Ik heb gehuild. Heel hard gehuild.
Vanaf dat moment is het gemis en het verlangen naar Jona alleen maar groter geworden. Ik vind hem niet meer. Het tastbare wat ik nog van hem heb, is een haarlokje van de mooi krul van het kruintje op zijn hoofd. De haartjes die ik liefkozend streelde als hij bij mij lag.
Ik zong voor hem en gaf hem kusjes op zijn hoofd, terwijl ik door zijn haartjes aaide. Een kostbare herinnering. Dat haarlokje zit nu in een bedel aan een ketting die ik om mijn hals draag. Zó waardevol.

Vanaf dat er iets in mijn hoofd knapte, heb ik momenten van intens en radeloos verdriet gekend. Ik wist niet dat een mens zo kon huilen. Gillend van verdriet heb ik twee keer met m’n hoofd tegen het raam gebonkt. Ja, echt. Zo kwijt was ik hem, ik wilde naar hem toe, ik wilde mijn kindje vastpakken en nooit meer loslaten. Radeloos.
Ja, het hoort voor mij allemaal bij rouwen. Een kind dat zijn ouders verliest is een wees. Iemand die zijn man of vrouw verlies, is weduwe of weduwnaar. Maar is er een naam voor ouders die hun kind verliezen? Naamloos verdriet… Wij zijn inmiddels elf weken ouders met een naamloos verdriet.

Als mensen aan me vragen hoe het gaat, antwoord ik dat we ons best doen. Sebas werkt inmiddels bijna weer fulltime. Daar was hij aan toe en na het rustig opgebouwd te hebben, vind hij het nu echt weer fijn om aan de slag te zijn. En dat snap ik heel goed.
Maar voor mij was dat wel even slikken. Het was fijn om iemand om me heen te hebben. Geluid te horen in huis, te praten wanneer we dat wilden, te zijn met iemand die, net als ik, ook thuis is in dit huis. En dat is er nu overdag niet.
Het was zijn dagelijks leven, werken. Hij had de mogelijkheid om zijn ‘normale’ dagelijkse leven weer op te bouwen. En dat gun ik hem van harte. Maar ik voel me soms wel ietwat verloren. Mijn dagelijkse leven was Jona. Dat leven kan ik niet weer opbouwen. Ik moet me iets anders eigen maken, iets wat mijn dagelijks leven weer kan worden. Maar dat is best moeilijk. Wat doet een ‘normale’ huisvrouw op een dag? Ik heb geen idee. En daarin geef ik mezelf nu ook nog de tijd. Ik doe de was, ik zorg dat het netjes is en ik kook ongeveer de helft van de week. Om de week hebben we een huishoudelijke hulp, die het huis van onder tot boven schoonmaakt. Dat is fijn. Ik hoef het niet allemaal alleen te doen. Ik kan 1001 mensen vragen om iets te doen voor me, maar ik voel ook dat het goed voor me is om zelf wat te doen. Zo probeer ik klusjes waar ik vaak niet aan toe kwam, nu wel te doen. Kasten opruimen, uitzoeken, schoonmaken. Maar op een tempo dat voor mij oké is.

Ik merk dat prikkels nog snel veel zijn. Veel mensen bij elkaar, dat trek ik nog niet. Dan word ik gauw stil, trek ik mezelf terug in m’n gedachten en wil ik het liefst zo snel mogelijk weg.
Mensen op straat of in een winkel tegenkomen vind ik eng, omdat ze misschien dingen vragen waar ik niet over wil praten. Het liefst ben ik thuis, op de plek die voor mij zo veilig is. De plek waar ik sinds ons trouwen voornamelijk ben geweest. Dit voelt voor mij nu nog goed. Natuurlijk zou het mooi zijn als ik na verloop van tijd wat meer zie zitten, maar nu? Nu is dit goed. Elf weken na Jona’s overlijden en ik sta nog overeind. Dat is überhaupt al iets wat niemand verwacht had. Als je twee jaar lang alles geeft wat je kunt én meer, jezelf volledig opzijzet om zorg te kunnen dragen voor degene die je het liefst is, dan is het gewoon al een prestatie om te blijven staan en zo zie ik het ook. Ik doe mezelf vaak tekort, vooral in datgene wat ik betekend heb voor Jona. Ik voel me vaak schuldig over de dingen die ik beter had kunnen doen, maar ik vergeet vaak dat het niet opweegt tegen alles wat ik wel voor hem heb kunnen doen.
Ik probeer dat te zien, maar ik realiseer me ook dat het heel gewoon is dat ook die dingen bovenkomen en tranen kosten.

Huilen doe ik dagelijks en dat ervaar ik niet als vervelend. Ik ervaar het juist als vervelend als huilen niet lukt, als emoties vlak blijven.
Liever kom ik dicht bij de gevoelens, want dat laat me ook de liefde voelen voor hem.

Mijn liefste jongetje, oh wat mis ik hem. Laatst droomde ik voor het eerst over hem. Dat ik hem uit bed haalde, dat hij lachte naar me en ik hem heel dicht tegen me aan drukte.
Ik werd zo rustig wakker. Hij voelde zo dichtbij. En het maakte me weer bewust van hoe het was. Ik blij met hem en hij blij met mij.
En dát is wat ik me wil herinneren.

Deel dit verhaal op sociale media

tekst: Mathilde de Rooij

Over Terdege

Terdege is een reformatorisch familiemagazine dat wil inspireren, bezinnen en verrassen.

Abonneevoordeel

Maak gebruik van de mooie voordelen die we speciaal voor jou als abonnee hebben uitgezocht.