Stille uren met Luther

In zijn tienerjaren kreeg Herman Selderhuis belangstelling voor de Bijbel, besloot hij naar de kerk te gaan en liet hij zich dopen. Luther was zijn grote voorbeeld. Dat is hij voor de Apeldoornse hoogleraar nog steeds. Tenminste, als het gaat om zijn verhouding tot God. ”Van mezelf heb ik niets; ik kan alleen maar leven van wat de Heere geeft.”
 

Ondanks zijn overvolle programma staat prof. H.J. Selderhuis exact op het afgesproken tijdstip gereed. De hoogleraar kerkhistorie van de Theologische Universiteit Apeldoorn, tevens directeur van Refo500, verzet bergen werk door weinig te slapen, strak te plannen en geen tijd te verspillen aan leuterpraatjes. Zeker in het Lutherjaar loopt zijn agenda over.

De Reformatieherdenking is bijna voorbij!
„Dat gevoel heb ik niet. Op 31 oktober begint het eigenlijk pas. In november wordt in Jakarta een Refo500-congres gehouden met 4000 deelnemers, dezelfde maand is er een groot congres in Korea. Er is nog heel veel onderzoek te verrichten naar de effecten van de Reformatie: op het gebied van economie, ethiek, cultuur, politiek, onderwijs, hulpverlening, de verhouding tussen kerk en staat... Bijna alle partners van Refo500, wereldwijd zo’n 160, willen dat we doorgaan.”

Verwachtte u dit toen u het project in 2010 begon?
„Absoluut niet. Aanvankelijk richtten we ons alleen op Nederland. Ik ben heel dankbaar dat er al snel internationaal belangstelling ontstond. De grote uitdagingen komen nu pas. Een tentoonstelling over een historische gebeurtenis organiseren, is zo moeilijk niet. Veel moeilijker is het om dat wat destijds is gebeurd, relevant te maken voor de kerk en samenleving vandaag. Hier, op Bali en in Kenia, om drie plekken te noemen. Er is nog verschrikkelijk veel te doen. Maar eerst moet ik –zoals de kalkoen al zei– de kerstdagen zien te halen.”

Hebt u het gevoel in een achtbaan te zijn gestapt?
„Met een achtbaan heb ik niets. Waarom zou je het gevaar en de misselijkheid opzoeken? Aan de andere kant: het gevoel een bocht te naderen, omhoog te gaan en weer naar beneden te roetsjen bekruipt me soms wel. Gelukkig is Refo500 een platform, dus we hoeven niet alles zelf te doen.”

Tussendoor schreef u een biografie over Luther. In de nachtelijke uren?
„Ja, het is een werk der duisternis. Ik begin elke dag om vijf uur, net als veel andere boeren. Gedurende twee jaar heb ik voor het ochtendgloren het verzameld werk van Luther doorgelezen: 120 delen. Dat was mooi om te doen, zo ’s morgens vroeg met Luther alleen. Ik wilde een zo objectief mogelijk beeld van hem schetsen. Het verrast me dat het boek zo goed verkoopt en ik ben blij als ik hoor dat mensen ervan genieten. Maar de mooiste beloning is, wat ik er zelf van heb geleerd. Dan denk ik vooral aan Luthers omgang met de Heere. Zijn verhouding met mensen was complex. Hij stelde zich vaak hard op en gebruikte woorden die de onderlinge verhouding niet bevorderen, maar tegenover God was hij een heel kwetsbaar mens. Dan vroeg hij zich voortdurend af: wie ben ik eigenlijk voor Zijn aangezicht?”

Vond u die combinatie niet verwarrend?
„Ik dacht meer dan eens: als je zegt dat de zaligheid alleen uit genade is, betoon dan ook eens wat meer genade jegens anderen. En als je wilt leven bij de Schrift alleen, neem die dan ook als norm voor je omgang met mensen. Luther vereenzelvigde zich zozeer met het Evangelie, dat hij elke kritiek op zijn persoon als kritiek op het Evangelie ervoer. Dat is een risico voor alle groten in Gods kerk. Des te opvallender is het dat hij zich tegenover God diep bewust bleef van zijn zondigheid.”

U gaf het boek de titel “Een mens zoekt God”. Is daarmee ook uw eigen leven getypeerd?
„In een bepaalde zin wel. Ik ben op een wat bijzondere wijze tot de kerk gekomen. Op mijn veertiende ging ik de Bijbel lezen, en werd ik al geraakt door het werk van Luther. Wat hij schrijft, herken ik. Van mezelf heb ik niets; ik kan alleen maar leven van wat de Heere geeft. Er blijft ook het zoeken naar de weg van God, die voor ons soms raadselachtig is.”

In wat voor milieu groeide u op?
„Mijn moeder komt uit een groot christelijk gereformeerd gezin in Enschede. Ze was de jongste van tien kinderen. Mijn vader –ook uit een gezin van tien– is altijd buitenkerkelijk geweest. In zijn jonge jaren verdiende hij de kost als broodventer, zo heeft hij mijn moeder leren kennen. Ondanks alle waarschuwingen van wederzijdse ouders zijn ze getrouwd. Mijn vader stopte met voetballen op zondag, mijn moeder ging alleen ’s morgens nog naar de kerk. Incidenteel gingen mijn zus en ik met haar mee. Gedoopt waren we niet.”

Waardoor ontstond het verlangen om meer van de Bijbel te weten?
„Een bijzonder aanleiding was er niet. De Heere begon te roeren in mijn hart en mijn gedachten. Daardoor ging ik elke morgen een hoofdstuk uit de Bijbel te lezen. Toen mijn ouders op een zondagmiddag vroegen of ik mee uit wandelen ging, zei ik: „Nee, ik ga naar de kerk.” Vooral het uitspreken van de Apostolische Geloofsbelijdenis sprak me in de eerste middagdienst die ik meemaakte geweldig aan. 
Ik bleef gaan en wilde op een gegeven moment gedoopt worden. De diaken aan wie ik dat vertelde, legde me uit dat ik dan eerst belijdenis moest doen en vooraf catechisatie moest volgen. Hij gaf me de catechisatieboekjes van ds. J.H. Velema: ”Bijbel en Belijdenis”. Nadat ik die grondig had doorgenomen, zei ik onder de afwas tegen mijn moeder dat ik naar belijdeniscatechisatie wilde. „Dan ga ik met je mee”, was haar reactie. 
We hebben in dezelfde dienst belijdenis gedaan, aansluitend ben ik gedoopt.”

Wie speelden in deze ontwikkeling een rol?
„In de eerste plaats mijn moeder. Zonder veel woorden probeerde ze haar gezin te winnen voor het Evangelie. Ze las ons voor uit de kinderbijbel, leerde ons bidden en had de vroomheid waar het om gaat. Mijn eerste kennismaking met Luther heb ik te danken aan tante Fem, de oudste zus van mijn moeder. Ook een vrome vrouw, die veel met anderen over het Evangelie sprak, maar zichzelf de rijkdom ervan niet durfde toe te eigenen. Ze gaf me de levensbeschrijving van Luther door A.G. Eggebeen. Dat boekje sprak me aan. Zo’n monnik die zijn eigen weg gaat, zonder zich veel van anderen aan te trekken, en na hevige strijd God vindt. Of, beter gezegd: door God gevonden wordt. Daarna ben ik zijn eigen boeken gaan lezen. Zijn taal is prachtig. Alles bruist en leeft bij Luther.”

Herkent u zijn worsteling om heilszekerheid?
„Heel goed. Het gebeurt nog steeds dat ik op de kansel ineens word overvallen door de gedachte: heb ik zelf wel deel aan wat ik anderen aanprijs?”

De vraag van tante Fem.
„Het verschil is denk ik dat zij niet genoeg deed wat ik van Luther leerde: juist op zulke momenten wegkijken van jezelf en de blik richten op de gekruisigde Christus. Ondanks alle aanvechting die er kan zijn. Daarom vind ik de psalmen zo mooi. Daarin vind je alle vragen die je hart kunnen bezetten terug, al loop ik daar niet mee te koop. Twentenaren praten niet zo gemakkelijk over hun innerlijk. Over mijn verandering sprak ik destijds ook niet met mijn klasgenoten. Ik was zeker geen missionair jongetje.”

En toch werd u dominee.
„Dat verlangen kwam later. De beslissing voor theologie viel pas na mijn vwo-examen. Nog niet met de bedoeling om predikant te worden. Ik wilde veel van de Bijbel weten en vond kerkgeschiedenis interessant. Tot mijn schrik bleek dat ik eerst twee jaar Grieks en Latijn moest volgen. Dat heb ik deels in Nederland, deels in Amerika gedaan, in combinatie met een fulltimebaan. Hier als magazijnmedewerker en chauffeur bij een groothandel in zoetwaren. In Amerika als vertaler, sinterklaas en assistent van een docent Nederlands. Terug in Nederland kreeg ik het gevoel dat ik misschien wel dominee moest worden. Geleidelijk, net als mijn weg naar belijdenis en doop. Ik ben bij het admissie-examen in Apeldoorn aangenomen, heb de studie gevolgd en werd eerst predikant in Hengelo, later in Zwolle.”

Vond u het zwaar om predikant te zijn?
„Die momenten waren er, ja. Bij problemen in de kerk, of het sterven van jonge mensen. Voor het overige deed ik mijn werk met plezier. Hengelo was een kleine gemeente, dus bij een trouwerij was ik ook koster. Zwolle was tien keer zo groot. Daar kwam ik voor mijn gevoel niet voldoende aan de mensen toe. Dat vond ik heel vervelend. Prof. Van ’t Spijker zei altijd: „Jongens, zorg ervoor dat je bij de mensen bent, zodat je weet wat er speelt.” Prof. Velema onderstreepte dat, met de aanvulling: „Zorg er ook voor dat je goede preken hebt.” Ik heb geprobeerd daarnaar te leven, maar in een grote gemeente is het lastig.”

Brachten de jaren van het predikantschap u dichter bij God?
„Dat geloof ik wel. In mijn boekje ”Morgen doe ik het beter” heb ik veel van mijn eigen ervaringen verwerkt. Als predikant kom je geregeld jezelf tegen. Ik dacht de dingen wel even op te zullen lossen, maar zo gaat het meestal niet. Of mensen waren teleurgesteld over een preek die ik zelf best goed vond. Dat brengt je dichter bij de Heere, mij in ieder geval wel. Ook als christenen proberen we steeds het de volgende dag beter te doen, en dat mislukt dan opnieuw. We moeten het elke dag van genade hebben.”

Van dit boekje zijn er opvallend veel verkocht.
„Intussen zo’n 35.000, terwijl uitgeverij De Vuurbaak er niets in zag. De uitgever heeft het op de markt gebracht om een secretaresse een plezier te doen. Die had het manuscript met genoegen gelezen. Blijkbaar zijn er meer mensen die hetzelfde probleem hebben als ik. Dat je het graag goed wilt doen voor de Heere, maar steeds moet constateren dat het niet lukt. Daar kun je lichtvaardig onder worden, je kunt erin vastlopen, maar de juiste weg is die van Luther. Steeds weer uitkomen bij de gekruisigde Christus. Die is niet in de eerste plaats ons voorbeeld, maar onze Verlosser.”

Was het aanvaarden van het hoogleraarschap een uitdaging of een offer?
„Allebei. Ik houd van lezen, studeren, doceren en onderzoek. Het is mooi als je van je hobby je werk kunt maken. Toch had het ook iets van een offer. Ik ben heel blij dat ik op zondag nog kan preken. Dan ontmoet je ook nog eens normale mensen, zeg ik weleens. Niet dat ze hier allemaal abnormaal zijn, maar het is toch een andere wereld. In de gemeente kom je de hele samenleving tegen. Dat mis ik, al is  het werk aan de TUA echt prachtig.”

Wat fascineert u in kerkhistorie?
„Ik houd van geschiedenis. Bij kerkgeschiedenis zie je ook nog eens de gang van Gods kerk. Opgang en neergang, vroomheid en wetenschap, discussies en problematieken die steeds terugkeren in een andere vorm. Het is geweldig leerzaam om daar kennis van te nemen. Je komt ook veel mensenwerk tegen. Maar als bovengronds de vrijzinnigheid toeneemt, theologen elkaar het leven zuur maken of mensen op een geniepige manier proberen weg te werken, blijft de ware vroomheid als een ondergrondse veenbrand bestaan. Na verloop van tijd vlamt die weer op. Daarom ben ik niet snel in paniek over de kerkelijke situatie. Verrassend is dat God vaak mensen gebruikt die wij er niet voor zouden uitkiezen. Naar onze maatstaven had Luther bij een sollicitatiegesprek naar de functie van reformator geen schijn van kans gehad.”

Komt u nog aan vrouw en kinderen toe?
„Zelf zeggen ze van wel. De zaterdagmiddag heb ik altijd beschermd. Die was voor het gezin. Samen wandelen, een plaatsje bekijken of iets soortgelijks. Nee, je hoeft niet bezorgd te zijn, we rooien het heel aardig samen.”
 

Deel dit verhaal op sociale media

Huib de Vries

Getrouwd | 5 kinderen | 3 kleinkinderen | auteur van boeken

@Sjaak Verboom

Abonneevoordeel

Maak gebruik van de leuke voordelen die we speciaal voor jou als abonnee hebben uitgezocht.

Volg ons op sociale media

Instagram

Over Terdege

Terdege is een reformatorisch familiemagazine dat wil inspireren, bezinnen en verrassen.

Abonneevoordeel

Maak gebruik van de mooie voordelen die we speciaal voor jou als abonnee hebben uitgezocht.