Woorden die (niet) helpen

Moeilijk. Moeilijk om hier iets over te zeggen. En toch ga ik het wél doen.


Wat zeg je tegen iemand die een kindje verloren is? Mensen vragen me het wel eens, omdat ik vaak zo open ben, maar heel eerlijk: ik zou het niet weten. Ook al ben ik nu zelf zo iemand. Ik zou niet weten wat je het beste kunt zeggen. Misschien wel niets. Misschien is alleen een knikje wel genoeg. Welke woorden helpen? Wat doet me goed om te horen? Ik weet het niet. Er zijn geen woorden die troostend zijn.

 

‘Sterkte’ is een woord wat ik na de eerste weken bijna niet meer kon horen. Ik hoorde het zo vaak, dat het voor mij de waarde verloor. Begrijp me niet verkeerd, want ik vind het wel degelijk ‘fijn’ om te horen. Niets zeggen is dan ook wel heel erg ‘niets’, maar ik bemerkte toen pas hoe weinig waarde woorden hebben. Er waren geen woorden die me hielpen. En nog steeds eigenlijk niet. Betekend het dat iedereen dan maar z’n mond moet houden tegen me? Nee, ook niet.

 

Want medeleven doet wel degelijk goed.

Klinkt een beetje onsamenhangend hè? Het is een teer onderwerp, waar weinig over gepraat wordt. Het is zeker niet mijn bedoeling om mensen voor het hoofd te stoten, want de bedoelingen zijn zo goed, maar ik heb het al eens vaker gezegd: als niemand hier ooit open over is, kun je ook niet verwachten dat mensen zo maar ruiken wat ze wel en niet kunnen zeggen.

 

Neem nou mij. Voordat ik meemaakte wát ik allemaal meemaakte, was ik iemand die precies zulk soort dingen zou doen of zeggen als dat ik zo meteen hieronder ga beschrijven. Kan ik mezelf dat kwalijk nemen dat ik dat toen deed? Nee. Want ik wist niet beter.

 

En juist dat motiveert mij om dit te schrijven. Er zijn maar zo weinig mensen die het verlies van een kindje meegemaakt hebben, dat het ook logisch is dat we met z’n allen niet weten wat we moeten zeggen. Laat staan ik.

Maar ik weet wel hoe ik het ervaar en ik durf stiekem wel te zeggen dat ik zeker weet dat mede-rouwenden zich gaan herkennen in wat ik ga schrijven.

Veel mensen zeggen zelf al: ‘ik heb er geen woorden voor’. En dat zijn woorden waar ik me in vinden kan. Want wat kun je zeggen? Mensen weten ook gewoon niet wat ze moeten zeggen. Dus dat begrijp ik ook volledig.

 

Laatst kregen we een brief van mensen, met daarin de woorden: ‘wij weten niet wat het is, dus we doen dan ook maar heel voorzichtig met grote woorden.’

 

Bijzondere, mooie woorden vond ik dat. We hebben kaarten vol gekregen met daarin advies en woorden over waar we troost kunnen vinden. Ook mooi en ook lief. Maar hoe rijk het ook is om te weten dat Jona nu bij zijn Schepper is en het daar veel beter heeft dan hier op aarde, toch maakt het de leegte en de pijn van het gemis niet minder. De pijn ja, want dat is wat wij vanbinnen voelen. Heel veel pijn. Het liefste wat we hadden is van ons afgescheurd. En dat na twee intensieve, zorgvolle jaren. Het is niet te beschrijven wat dat nu voor een verdriet geeft. Zijn laatste weken waren zwaar, hij heeft zo geleden. Dat is iets wat aan me vreet. Ik heb hem zoveel pijn zien hebben, paniek zien hebben. Het is niet te vertellen hoe wanhopig je daarvan wordt, je kunt niets anders dan toekijken. De pijn die dat vanbinnen geeft, niemand die weet hoe dat voelt.

Als je mij vraagt wat je het beste niet kunt doen, is het: vergelijken en invullen.

 

Dit vraagt enige uitleg.

Ik begin met het vergelijken.

 

Behoorlijk wat kaarten die we kregen stonden vol met woorden. Ook een kindje verloren, weten wat het verdriet is.

 

En niet alleen in kaarten, ook mensen op straat beginnen vaak over iemand die ze kennen, die dit ook heeft meegemaakt.

 

En van het woordje ‘ook’ word ik altijd spontaan een beetje allergisch. Ouders die een kindje verliezen kun je niet in één en hetzelfde hokje proppen. Het valt niet over één kam te scheren.

 

Net als met alles eigenlijk, want daar wil ik dus even bij zeggen dat dit niet alleen geldt voor ouders die een kindje verliezen, maar überhaupt is verlies en verdriet niet met elkaar te vergelijken en dus niet in een hokje te stoppen. Dat is dus ook het eerste waar ik hoop dat mensen mee stoppen. Vergelijken. Ieder verdriet en verlies is uniek, hoe veel situaties ook op elkaar kunnen lijken, het ís niet te vergelijken.

Ik heb er moeite mee als mensen beginnen over hun eigen verhaal. Hoe goed bedoeld ook, op dit moment zit ik niet te wachten op het verhaal van een ander. En dat heeft als reden dat ik op dit moment meer dan m’n handen vol heb aan m’n eigen verhaal. Klinkt egoïstisch, maar ik heb op dit moment meer dan genoeg aan mezelf en aan Sebas.

 

En ik begrijp het ook vaak niet als mensen een vergelijking tussen situaties maken. Dat wij onze Jona van 2 jaar verloren zijn is iets heel anders dan mensen die hun kindje bij de geboorte verloren zijn. Onze situatie is óók heel anders dan de situatie van mensen die 20 jaar lang voor hun kind gezorgd hebben en het dan verliezen. In geen van de gevallen zal het gemis of het verdriet meer of minder zijn, dat bedoel ik vooral niet te zeggen. Het verdriet zal er na een doodgeboren kindje namelijk niet minder om zijn. Maar de omstandigheden zijn niet te vergelijken. Je kindje bij de geboorte verliezen, twee jaar 24/7 voor een kindje zorgen of twintig jaar lang 24/7 voor een kind zorgen zijn enorme verschillen.

 

Ik ben van mening dat geen situatie te vergelijken is. Daarbij komt ook nog eens dat mensen niet met elkaar te vergelijken zijn. Behoeften, wensen, emoties zijn afhankelijk van karakter.

 

Waar iemand anders behoefte aan heeft, heb ik misschien wel helemaal geen behoefte aan.

 

Vergelijken. We moeten het niet doen. In geen enkel geval, want het valt niét te vergelijken.

Oké, door met NIVEA.

 

Ja, NIVEA. Niet Invullen Voor Een Ander. Ooit geleerd van een wijze lerares. Invullen dus.

‘Moeilijk hè, om de gezonde kinderen van je broers en zussen te zien.’

‘Je zult zeker wel stoppen met werken, allemaal erg confronterend voor je.’ (Side note: ik ben kraamverzorgster)

Zo maar even twee voorbeelden van wat er tegen me gezegd wordt. En net als van het woordje ‘ook’, krijg ik van dit soort opmerkingen spontaan jeuk.

 

Wie zegt dat ik het moeilijk vind om de gezonde kinderen van mijn broers en zussen te zien?

 

Wie zegt het dat ik mijn werk als kraamverzorgster niet meer uit kan oefenen?

 

Mij zul je het niet horen zeggen.

 

Voor mij invullen wat ik ergens van vind, hoe ik me ergens bij voel of wat ik wel of niet meer zie zitten, vind ik erg vervelend.

 

Ook een karaktereigenschap van mij hoor, ik laat me wat dat betreft ook weinig zeggen. Maar het gaat me nu vooral om hoe het gezegd wordt. Waarom wordt het ingevuld en niet gewoon als vraag gesteld?

 

‘Moeilijk hè, om de gezonde kinderen van je broers en zussen te zien’ klinkt net ff wat minder dan ‘Vindt je het lastig om de kinderen van je broers en zussen te zien?’.

En dan hebben we ook nog het invullen van mensen door middel van eigen goede ervaringen. Dus: het geven van tips, het aanraden van boeken, blogs en tijdschriften én zelfs het aanprijzen van therapeuten die mij vast goed kunnen helpen bij het verwerken van het verlies van Jona. Zo, als ik deze zin uit zou spreken, zou ik nu buiten adem zijn.

 

Maar goed, dat dus.

 

Ook dat is iets wat ik lastig vind, want: op dat punt ben ik nog helemaal niet.

 

Mensen begonnen vrijwel direct na Jona’s overlijden met dit soort raadgevingen.

 

Wacht even. Mag ik de tijd nemen om tot me door te laten dringen wat er überhaupt gebeurd is?

 

We zijn inmiddels heel wat weken verder, maar ik ben nog steeds niet op het punt dat ik hier iets mee wil of kan.

 

En het is ook heel normaal dat ik nog niet op dat punt ben. Dat ik überhaupt mijn bed uit kom en geen zak chips leeg kauw als ontbijt, maar gewoon braaf m’n kiwi en plakjes vezelrijke ontbijtkoek mét laagje boter op eet, is gewoon al +2 voor mij.

En al zou ik wel die zak chips eten, zou dat ook nog acceptabel zijn. Alles wat ik door m’n strot krijg is knap.

 

We hebben het over nu zestien weken. Zestien weken geleden dat Jona op mijn schoot zijn laatste adem uitblies. En we doen ons best. We doen ons best om onszelf niet volledig te verliezen in het verdriet en het gemis. We doen ons best om overeind te blijven en een ritme in de dag te houden.

 

Boeken lezen over rouwverwerking? Met een therapeut praten over hoe ik dit verdriet en verlies moet verwerken?

 

Mag ik alsjeblieft gewoon even verdrietig zijn en überhaupt de leegte en stilte tot me door laten dringen?

 

Mag het er ook gewoon even zijn?

Mensen praten vaak over ‘verwerken’ of het ‘een plekje geven’. Op zich heel geen rare uitspraken, maar als je iemand verloren bent zijn dat tóch wel pijnpunten. Ik weet dat ik hierin namens heel veel mensen spreek.

 

Want verlies en verdriet verwerk je niet. Er zijn momenten dat het gaat, maar ook momenten dat het verdriet en gemis als grote golven op me af komen en ik enkel kan happen naar lucht om boven water te blijven. Die golven, ze zullen blijven komen. De ene keer hoger dan de andere keer, maar weg gaan ze nooit meer.

 

Een plekje geven? Verwerken?

 

De kaasdoos in de koelkast, die heeft een plekje. En verwerken, dat doen ze hier met afval, bij Cyclus. Niet met verdriet.
Praat tegen mensen met groot verdriet en verlies niet over ‘verwerken’ of een ‘plekje geven’, maar wens ze sterkte en kracht toe om het verlies te kunnen dragen.

Eigenlijk, heel eigenlijk is deze blog gewoon een klein lesje omgangskunde. Omgangskunde, het vak wat ik verfoeide tijdens mijn opleiding Verzorgende-IG aan het Hoornbeeck College.

 

Ik durf het bijna niet te zeggen, maar ik heb er toch iets van opgestoken. Echt, de lerares zou trots op me zijn als ze wist dat dít uit mijn mond kwam. Sterker nog: ik denk dat ze direct d’r pensioen tekent. Mission accomplished.

Wat ik daar bijvoorbeeld leerde, is: laat OMA thuis. Oordelen, meningen, adviezen. Laat ze thuis en luister gewoon. Dat is wat ik leerde. In sommige gevallen is het beter om dat voor je te houden.

Het zit in de mens om te willen helpen. We zien een ander niet graag verdrietig en dat is heel mooi en lief. Maar het verdriet mag, sterker nog, móét er gewoon zijn. Het is allemaal nog veel te vers om er iets mee te doen. Het moet er eerst gewoon zijn.

 

De begrafenisondernemer die ons begeleid en geholpen heeft toen Jona overleden was, zei ook dat je het beste pas na een half jaar iets aan rouwverwerking kunt gaan doen.
We hebben het nu over een krappe vier maanden.

Tips en adviezen is dus iets waar ik persoonlijk geen behoefte aan heb. Wel vind ik het lief dat mensen me op die manier proberen te helpen. Het punt is ook nog dat ik in karakter iemand ben die dingen zelf wil uitvinden en vooral met mensen erover wil praten die dichtbij me staan. Ik heb ook nooit de behoefte gehad om lotgenoten op te zoeken. Waarom niet? Ik weet het niet. Ik denk omdat ik eigenlijk altijd wel genoeg heb gehad aan onze eigen situatie. Daar had ik m’n handen al vol genoeg mee. Het bordje is soms gewoon vol.

 

En ik ben zelfverzekerd en heb met de juiste hulp om ons heen nooit getwijfeld over keuzes die gemaakt zijn en de onzekerheden die er zijn bespreek ik dan weer niet en plein publique, simpelweg omdat dat kwetsbaar is.

 

En daarbij denk dat deze factor ook een grote rol speelt, namelijk dat Sebas en ik er samen heel goed over kunnen praten. Ik besef dat dat een zegen is. Vaak is dit niet zo. Man en vrouw gaan beide anders om met verdriet en rouw, ook bij ons is dat zo, maar we voelen ons niet alleen daarin. We praten veel, benoemen wat we voelen en waar we behoefte aan hebben én respecteren de behoeften die de ander heeft. Of niet heeft. We houden rekening met elkaar, maar gunnen elkaar ook ruimte om er beide mee om te gaan op de manier die werkt voor de ander. Ik denk dat dat iets moois is.

 

En ik denk dat dat ook de reden is dat ik niet de behoefte voel om erover te praten met mensen die iets soortgelijks meegemaakt hebben, omdat ik mijn lotgenoot al heb. Mijn man, die dezelfde zoon heeft als ik en weet van alles wat er gebeurd is.

 

En daarin ben ik misschien wel een eenling. Heel veel mensen vinden het namelijk wel fijn om herkenning te vinden. En ook ik praat (voornamelijk op Instagram) met mensen die een kindje verloren zijn, maar meestal kort. Het hoeven niet m’n vriendinnen te worden en dat klinkt hard, maar zoals ik al zei: mijn behoefte ligt niet in me herkennen in de ander. En dat is ook oké!

Ik hoop dat ik hiermee niemand voor het hoofd gestoten heb. Het is namelijk niet dat ik iemand iets kwalijk neem. Als ik berichtjes krijg met mensen die iets zeggen over hun eigen situatie of benoemen dat ze zich in kunnen leven in het verdriet wat wij hebben, is het niet zo dat ik dat bij voorbaat gelijk irritant vind. Maar soms ook wel.

 

 

Ik vind het zinvol om dit te delen, omdat het mensen om me heen bewust maakt en misschien ook wel helpt in wat ze kunnen zeggen. Ik realiseer heel goed dat het onwijs moeilijk is om iets tegen ons te zeggen, bang om iets verkeerds te zeggen, maar niets zeggen voelt ook niet goed. Dat begrijp ik. Stel een open vraag, zonder iets in te vullen, zonder insinuaties.

‘Hoe is het met je?’

 

‘Kom je de dagen een beetje door?’

 

‘Wat vindt je er van dat Sebas weer aan het werk is?’

Dat zijn de vragen waar ik iets mee kan. Nogmaals, ik zeg dit niet namens alle ouders die een kindje verloren hebben, dit is hoe het voor mij is. Iedereen is anders en ieders behoeften zijn anders.

 

Maar niemand die kan ruiken waar ik behoefte aan heb. Waarom het dan niet uitspreken?

 

Ik denk dat dat alleen maar goed is. Mensenwoorden kunnen namelijk ook kwetsen en tot nu toe heb ik gevoeld dat de meeste berichten of kaarten die ik krijg met de beste intenties geschreven zijn. Maar bij sommige denk ik ook: dit moet je niet tegen mij vertellen, maar tegen een psycholoog. Er klinkt soms zoveel onverwerkt verdriet in door en heel soms denk ik: je schrijft dit niet voor ons, maar puur voor jezelf. Want geloof me, die zaten er ook bij. Woorden waar werkelijk geen mens iets mee kan en het wel lijkt of het een dagboekverhaal is in plaats van een condoleancekaart voor mensen die net hun zoon verloren zijn. En dan ben ik iemand die daar gewoonweg niet van houdt. Een klein beetje een binnenvetter ben ik in dat opzicht ook wel. Zou je niet zeggen hè. Maar ik deel graag wat en wanneer het mij uitkomt. Ik word niet graag voor het blok gezet en ik houd er ook niet van als mensen dingen voor mij invullen. En oh, dat invullen... dat gebeurt zó veel. Ook ik doe het hoor. Ik vul bijvoorbeeld voor mijn zus in dat ze na twee werkdagen vast geen zin heeft om nu bij mij koffie te komen drinken. Volslagen idioot dat ik dat voor haar invul. Als ik het gewoon vraag, kan ze daar zelf antwoord op geven of ze daar wel of geen zin in heeft.

 

Dus echt: voor mij valt er ook nog genoeg te leren hierin.

 

Maar ik ondervind nu zelf wat het is als mensen voor je invullen. En omdat ik er zelf niet van houd, probeer ik het ook niet te doen. Zegt niet dat het me altijd lukt. Maar met open vragen bereik je meer dan insinuaties.

Wat ik nog kwijt wil is dit. Ik schrijf heel leuk over wat je tegen me kunt zeggen als je me tegenkomt, maar heel eerlijk? Ik ben mensenschuw geworden. Ik ben overal waar ik kom bang om aangesproken te worden. En waarom? Ik denk vooral de kwetsbaarheid. Te kwetsbaar om eventueel te moeten incasseren. Te kwetsbaar om om te gaan met ‘vervelende’ vragen, felicitaties aangaande de zwangerschap waar ik me niet prettig bij voel, omdat het voelt als voorbijgaan aan het feit dat ik net mijn liefste kind verloren ben.

 

Te kwetsbaar.

 

Bang dat ik emoties niet bedwingen kan en ik midden in de Hema of Albert Heijn moet huilen.

 

Bang.

 

Ja, ik weet zelf soms niet eens goed waarom, maar ik denk dat ik me in allerlei opzichten gewoon echt te kwetsbaar voel.

 

Dus kom je me ergens tegen en zie je me wegduiken in de bosjes of in een la met diepvriespizza’s, ik kan het dan even niet. Ik kan het dan even niet om geconfronteerd te worden met het verdriet, ik kan het even niet om het op dat moment te delen met anderen.

Tot zo ver mijn spreekbeurt.

Ik zal dan nu ook geen adviezen geven over hoe om te gaan met rouwende mensen. Want als er iemand is die daar geen uitspraken over kan doen, ben ik het. Wat voor mij werkt of niet werkt, is voor iemand anders weer totaal het tegenovergestelde.

 

Daarom. Maar ik kan wel delen hoe ík dingen ervaar en waar ik wat aan heb en waar ik niets aan heb.

 

Eerlijk gezegd denk ik dat een hoop ouders die een kindje verloren zijn zich herkennen in wat ik zeg. Überhaupt denk ik dat mensen die verlies en rouw kennen, zij het van een partner, broer/zus of vriend, zich hierin kunnen herkennen.

Wat ik nog kwijt wil: wees vooral niet bang om nu iets tegen me te zeggen. In deze blog staan een hoop dingen waarvan ik aangeef ze niet prettig te vinden, maar er staan ook dingen in waarvan ik aangeef ze wel prettig te vinden. Ik bijt niet, maar ik ben wel een kwetsbare, rouwende moeder, die simpelweg niet alles hebben kan. Meelevende woorden, respectvolle vragen en fijne gesprekken. Ik kan het allemaal hebben. En soms ook niet, maar dan zegt mijn lichaamstaal genoeg.

 

Maar jullie weten het hè: laat OMA thuis, haha!

 

Deel dit verhaal op sociale media

tekst: Mathilde Beverloo-de Rooij

Over Terdege

Terdege is een reformatorisch familiemagazine dat wil inspireren, bezinnen en verrassen.

Abonneevoordeel

Maak gebruik van de mooie voordelen die we speciaal voor jou als abonnee hebben uitgezocht.