Onze ziel is iets wonderlijks. Die ziel van ieder mens behoort niet tot de zichtbare, maar tot de onzichtbare werkelijkheid. Uw ziel is het centrum van uw beleving en bewustzijn en omvat de vermogens om beslissingen te nemen wat betreft uw doen en laten. Sinds we gekozen hebben tegen God, kleeft onze ziel niet meer aan God, maar kleven we vast aan de zonde. Wat ervaart de dichter? Ik zit gekleefd aan die dingen die besmet zijn door de heerschappij van de zonde. Ik zit er aan vast en ik kom er niet bovenuit. Als gevolg daarvan is er kilheid vanbinnen, ongevoeligheid voor de Heere en Zijn Woord. Gebrek aan liefde en toewijding aan Hem. Wat de dichter weergeeft is een klacht, een belijdenis die duidelijk maakt dat hij in aardse dingen niet vindt wat hij zoekt. Hij heeft de Heere Zelf nodig. Hier is een levende, die klaagt over de kille toestand van zijn ziel. Daarvoor richt Hij zich tot de Heere: U weet dat er in mijn hart veel van de aarde is wat het hemelse overschaduwt. Komt U mij te hulp, brengt U weer het leven in mijn ziel. Verlevendig Uw werk in mij. Wekt U toch weer nieuw leven en nieuwe kracht in mijn ziel. Een ziel die leeft, trekt op het Woord van God aan, omdat het Woord Geest en leven is. Vindt u daar, net als de dichter, uw houvast in? Dat Woord is vlees geworden en Christus heeft onder ons gewoond ( en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eniggeborenen van den Vader), vol van genade en waarheid. Bemin het Woord, dat zo vol is van de Heere Jezus. Zijn Woorden zijn Geest en leven en daarmee maakt God uw ziel levend. :::inline_tag 1:::