Op een dag werd ik geacht aanwezig te zijn bij een ontspannen programma. Ik mocht kiezen tussen een wandeling of een creatieve workshop. In een vlaag van levenslust –of zelfoverschatting– koos ik voor dat laatste. Samen met één andere man werd ik ondergebracht in een ruimte bomvol vrouwvolk. Midden op tafel lag een grote berg stof. „Nee, geen stof. Het is vilt”, wees een medecreatieveling me terecht. Nu voelde ik nattigheid. Een beginner onder de experts. Gelukkig kon de betrokken buurvrouw die me ervoor wilde behoeden stof met vilt te verwarren, het verschil verder ook niet uitleggen. Dus doceerde ik mezelf verder door goed te kijken en te luisteren. Vilt is spul dat lijkt op stof en bestaat in allerlei kleuren. Ik heb het zelf gezien. Het zou ook duur zijn, maar prik me er niet op vast. Ik heb het van horen zeggen. :::author_streamer 1::: Vilt moet je prikken. Je neemt een hoopje vilt in de ene hand, een naald in de andere, en dan prik je. In het vilt. Dat hecht zich dan, om onverklaarbare redenen, aan een ondergrond. „Hoe vaker je prikt, hoe vaster het zit”, aldus de workshopleidster, die het zelf ook voor het eerst deed. Dus ik prikte. En prikte. En prikte. Ondertussen vroeg ik me af wat hier precies gebeurde. Wordt het spul warm door wrijving en smelt het dan? Ontstaat er statische energie? Omdat ik sterk vermoedde dat ik de enige was die zich in dit gezelschap met deze vraag bezighield, hield ik wijselijk mijn mond. Om mij heen werd druk overlegd, en werden er voorbeeldwerkjes aan elkaar doorgegeven. Het merendeel van de creatievelingen wilde iets –zo ambachtelijk mogelijk– namaken, zo bleek. Maar dat kan deze jongen helemaal niet. Dus gaf hij zich over aan de creativiteit. En prikte. En prikte. En prikte. „Wat maak jij?” vroeg mijn buurvrouw. Ik liet het zien. „O, een babyhoofdje!” „Mooi dat je dat erin ziet”, reageerde ik, en ik prikte zelfverzekerd verder. De strategie die ik leerde bij kunstlessen op de middelbare school, werkt nog steeds. Zolang je zelfverzekerd doet alsof het iets voorstelt, verzinnen anderen het verhaal er wel bij. Lang leve de postmoderniteit. Plots was ik –licht prikkelbaar– uitgeprikt. Ik wilde niet meer vilten. Ik wilde ontspannen. Tijd om een rondje te wandelen.