Er was een tijd dat ik mensen bewust een beetje uit de tent lokte. „Veel vakantie? Hoe kom je erbij? Het zijn maar twaalf weken per jaar, hoor.” Dat leverde soms verslikking in het gebak op, of een slok hete koffie die net verkeerd viel. Tegenwoordig houd ik het luchtig. „Er is een tekort aan mensen die tussen de vakanties door les willen geven, dus…” Dan zie je sommige handen al afwerend omhooggaan. „O nee, niks voor mij. Ik zou na vijf minuten al gillend wegrennen.” En eerlijk is eerlijk, bij sommigen geloof ik dat meteen. Toch zie ik óók mensen die prima voor de klas zouden kunnen. Daarom wil ik hier een lans breken voor het onderwijs. >Maar als je verschil kunt maken voor dat ene kind, wat is dan belangrijker? Wat is er mooier dan werken met kinderen? ’s Ochtends staan ze bij de deur op je te wachten, vol verhalen. Je mag hen meenemen op reis door de tijd, door de wereld, door boeken en ideeën. Je mag hen vertellen waar in het in dit leven echt om draait. Je hoort hun diepe zucht als je het voorleesboek dichtslaat. En dan dat ene gezicht, dat oplicht na een knipoog… Natuurlijk is het hard werken. Carrière maken in het onderwijs? Niet gemakkelijk. Maar als je écht het verschil kunt maken voor dat ene kind, wat is dan belangrijker? Ik zal het allemaal niet te rooskleurig voorschilderen. Soms moet je je leerlingen letterlijk uit de gordijnen trekken. En er zijn momenten dat je jezelf niet kunt omdraaien naar het bord, omdat je de raddraaiers recht in de ogen moet blijven kijken. Maar als er onderwijsbloed door je aderen stroomt, ga je het leren. Met vallen en opstaan, ja. Het wordt elk jaar mooier. Boeiender. Ik kijk alweer uit naar het moment dat de kinderen straks met drommen de school binnenkomen: „Hé meester, alles goed?” Dán weet ik weer waarom ik dit doe. En die twaalf weken vakantie? Die neem ik maar voor lief.