Bert Wiersema: dankbaar op de drempel

Bert Wiersema: dankbaar op de drempel

Bert W- Ziekte- Drachten- RenateB _8_

Slechts één keer valt Bert Wiersema even stil. Bij de vraag of het verliezen van een kind inderdaad het ergste is wat je kan overkomen, hapert de welbespraakte noorderling. „Dit vind ik een héél moeilijke”, bekent hij uiteindelijk. Aarzelend: „Met God erbij is het draaglijk.” Vaststaat dat dochter Klarine in haar ziek-zijn en sterven een groot voorbeeld is op de weg die Bert zelf gaat, sinds hij de diagnose beenmergkanker kreeg.

Hij is net terug na een weekje weg. Toch wel weer confronterend, vertelt hij. Thuis zijn er met het oog op zijn ziekte inmiddels de nodige aanpassingen gedaan. In het vakantiehuisje kwam hij niet meer omhoog als hij op de bank ging zitten.
„Dan moest mijn vrouw Nelie me overeind hijsen. Ik ben gewoon heel erg een stumper geworden. Maar we hebben het fijn gehad, de balans slaat door naar het positieve, hoor!”
Daarmee is de toon meteen gezet. Auteur en oud-docent Bert Wiersema (62) uit Drachten mag het dan hebben over verlies en rouw, ziekte en dood, een „bak ellende” en „stapels longembolieën”, altijd volgt er een „maar...”
„The best is yet to come”, daarvan is hij overtuigd. En het kinderlied ”’k Stel mijn vertrouwen op de Heer’ mijn God” gaat dag in, dag uit met hem mee. „Want in Zijn hand ligt heel mijn levenslot.”

Randje van de dood

Daarom is het glas voor Bert zelden halfleeg. Hij geniet ervan pater familias te mogen zijn van zijn ”clubje” en is dankbaar voor wat hij nog wél kan.
Hij verwondert zich erover hoe de Heere hem gebruiken wil ondanks en dankzij zijn ongeneeslijke ziekte. Elke gelegenheid grijpt hij aan om door te geven hoe goed God is. Zo hoopt hij mensen die op zijn pad komen te bemoedigen.
Maar zou zijn verhaal hen misschien ook kunnen verlammen, als zij God wellicht juist niet ervaren, ze zich depressief of wanhopig voelen?
Wiersema antwoordt zoals wel vaker met een voorbeeld:
„Een collega kwam tot verandering op een mannendag. Hij was echt geraakt, kwam voor zijn geloof uit in zijn lessen en sprak er ook met ons veel over. Tegen een andere collega zei ik dat ik dat fantastisch vond. Maar zij reageerde: „Ik niet! Ik voel me een nul in het geloof als ik hem hoor praten.”
Als iemand zoiets zegt, vraag ik me af wat ik zou doen wanneer ik me zo voelde. Ik heb één keer een periode gekend waarin ik ook alle houvast kwijt was. Ik kwam bij na een operatie en ontdekte tot mijn verbijstering dat ik een stoma had gekregen. Toen stortte ik in.
Ik was mijn dochter kwijt, had een openhartoperatie ondergaan, diverse keren op het randje van de dood gelegen en ik leed aan de ziekte van Kahler, beenmergkanker. Dit kon er niet meer bij.
Gedurende een aantal weken voelde ik me heel down.
Toen heb ik de stapel kaarten tevoorschijn gehaald die ik gekregen had en ben ik de teksten die daarop stonden gaan lezen. De Heer’ is mijn Herder, de voetstapjes in het zand, je kent dat allemaal wel... Ik kende het ook. Maar ik dacht: ik blijf dit net zolang lezen totdat het me weer raakt, tot ik het weer vóél. Want ik weet: dit is de waarheid. Het werkte.
Dat zou ik ook tegen anderen willen zeggen: we moeten altijd weer te rade gaan bij God, bij de Bijbel. We geloven toch dat het waar is wat daarin staat? Als we het daar niet mee eens zijn, dan zullen we het ermee eens moeten worden.
De meest indrukwekkende tekst blijft voor mij Johannes 3:16. Daarin staat dat ieder die gelooft het eeuwige leven heeft. Er staat niet dat diegene een káns heeft op eeuwig leven. Nee, er staat: die hééft het eeuwige leven. Daar moeten we ons aan vasthouden!”

Bepaald geen held

Het zaad voor deze diepe overtuiging werd gestrooid in een hecht, gereformeerd vrijgemaakt gezin in Groningen, waar Wiersema als oudste van drie kinderen opgroeide. Vader en moeder Wiersema hielden veel van elkaar en gaven hun geloof in alle eenvoud ook praktisch handen en voeten door naar anderen om te zien.
Eén schaduw ligt er over Berts jeugd in het warme nest: „Ik was een bang kind en hoorde er op school nooit helemaal bij. Ik zat bij de padvinderij. Dan moest je een heldhaftige uitstraling hebben, maar ik was bepaald geen held. Bij iedere brandgang keek ik of er aan het eind geen klierjochie stond. Was dat wel het geval, dan liep ik om.
Pas toen rond mijn zestiende bleek dat ik goed was in het vertellen van moppen, ging ik er een beetje bij horen. En toen kwam Nelie. Zij houdt onvoorwaardelijk van me.” Zo overgroeide Wiersema zijn mensenvrees en belandde hij zelfs voor de klas.
„Dat kwam trouwens door mijn leraar Duits en wiskunde. Ik was helemaal idolaat van die man. Toen hij zei dat er volgens hem een geweldige leraar in mij stak, besloot ik dus les te gaan geven.
Had-ie gezegd dat ik een geweldige  vuilnisman kon worden, dan had ik nu achter zo’n wagen gelopen.”
De leerkracht bleek wel gelijk te hebben. Wiersema stond met veel plezier voor de klas in het basisonderwijs en gaf vervolgens met nog meer plezier les aan pubers in het voortgezet onderwijs.
„Er liggen daar zo veel mogelijkheden om jongeren met het Evangelie te bereiken. Ik merkte dat veel leerlingen tussen de 12 en de 16 jaar best willen geloven, maar gewoon heel veel vragen hebben die ze thuis niet durven te stellen. Daarom heb ik in de klas, en ook als ik catechisatie gaf, altijd gezegd: „Kom maar op met je twijfels!” Ik heb liever dat de jongelui daarover in gesprek gaan dan dat ze op hun achttiende de kerkdeur achter zich dichttrekken.
Er zijn in het verleden mensen op de brandstapel gegaan vanwege het geloof, in Noord-Korea kost het nog steeds levens. Dan moet er toch wat in zitten. Dat wil ik jongeren graag meegeven.”

Einde oefening

„Ik heb nooit fundamenteel getwijfeld. Voor mij stond al vrij vroeg vast dat ongeloof ook een geloof is, want niemand kan bewijzen dat God niet bestaat. Dat ik een evolutionaire toevalstreffer zou zijn, wilde er bij mij niet in. En de enorme hoeveelheid Bijbelkennis die ik als gereformeerde jongen meekreeg, is bij dit alles voor mij een geschenk.”
Toch bleek dat uiteindelijk niet genoeg te zijn. „Je moet geen kennis van God worden, maar een kind van Hem. Het moet van je verstand naar je hart gaan. Het hartinfarct dat ik op mijn veertigste kreeg, betekende wat dat betreft een keerpunt. Ik heb toen gedacht dat het einde oefening was.
Als je dan overleeft, besef je dat je over de rand van de afgrond hebt gekeken. Je zegt tegen jezelf: Stel dat ik was overleden, wat dan?” In die tijd had Bert veel aan de boeken van Randy Alcorn, een Amerikaanse predikant en auteur, die tijdens een conferentie ontdekte dat een heleboel collega’s geen enkel beeld bij de hemel hadden, laat staan een verlangen daarnaar. „Hoe het in de hemel zal zijn, is nog niet geopenbaard, zeiden zij. Alcorn las de Bijbel van a tot z door om te onderzoeken wat daarin concreet over de hemel wordt verteld. Soms is er bij Alcorn wellicht sprake van speculatie, maar zelfs als slechts de helft van wat hij schrijft werkelijkheid is, hebben we verschrikkelijk veel om ons op te verheugen!
Dat ik dat niet verdiend heb, is duidelijk. Ik ben een zondig mens. Maar juist daar is Jezus voor naardeze aarde gekomen.”

Papa, ik heb kanker!

Het hartinfarct kwam hij te boven, maar in 2012 deed een nieuwe dreun het bestaan van Bert Wiersema wankelen op z’n grondvesten. Zijn tweede kind, Klarine, 26 jaar jong, ontdekte een knobbeltje in haar borst.
„Toen ze voor de uitslag naar het ziekenhuis ging, pasten Nelie en ik op haar drie kleine kinderen, van wie de jongste een jaar was. Ik zie me nog in de gang staan toen Klarine thuiskwam. Ze viel me om de hals en huilde: „Papa, ik heb kanker. Volgende week gaat mijn borst eraf!”
Ik dacht dat ik zou instorten. Ik moest mezelf echt toespreken: „Bert, jongen, hou je kop erbij. Want honderdtwintig kilo plat in de gang, daar heeft ook niemand wat aan.”
We stonden op het punt om met jongeren uit de gemeente naar Israël te gaan. Ik zag dat niet meer zitten, maar Klarine zei: „Ga wel! Tank jezelf daar vol geloof. Hoe het ook verder gaat, we zullen het hard nodig hebben.”
Terwijl we over het Meer van Galilea voeren, vroeg ik me vertwijfeld af hoeveel diesel er nou eigenlijk in dat water zat.
Op de dag van de operatie baden we in de woestijn voor Klarine. Vervolgens stapten we weer in de bus en op dat moment verscheen er een dubbele regenboog aan de hemel.
Ik weet als leraar aardrijkskunde genoeg om te beseffen dat dit heel ongebruikelijk is in de woestijn. Het was precies het tijdstip waarop Klarine de operatiekamer binnen zou gaan. Dat kon geen toeval zijn. Zo is nou God. Dit heeft mij een enorm stuk geloofszekerheid gegeven.”
Een periode van vijfenhalf jaar ziekte en honderd chemokuren volgde. „Ik heb nooit iemand zo zien lijden als Klarine. Ik heb ook nooit iemand gezien die een ziekte zo flink heeft gedragen. Het ergste vond ze nog dat haar ziekte ons zo veel verdriet deed.”
Samen verwerkten vader en dochter hun ervaringen met kanker in het boek ”Een regenboog in de woestijn”, waarin ze ook praktische tips en hun vertrouwen op God deelden.
Hoop en vrees wisselden elkaar af. Op cruciale momenten zag Klarine altijd weer een regenboog, waardoor ze zich bemoedigd voelde. Beter werd ze echter niet.
Toen begin oktober 2017 hun schoonzoon Johan belde om te zeggen dat het afliep, reden Bert en Nelie naar Klarine toe.
„Hoe neem je afscheid van je dochter?” zegt Bert. „Aan het sterfbed van mijn vader heb ik Openbaring 21 gelezen. Dat besloot ik nu weer te doen. Alleen de eerste vier verzen, anders zou het te veel zijn.|
Klarine was nauwelijks nog helder, kon amper meer praten. Maar toen ik dit had voorgelezen, zei ze: „Ja papa, dat is waar!” Haar laatste woorden waren een geloofsbelijdenis.”

Nood

De troost van deze ervaringen gaan mee in de jaren die volgen, ook als het verdriet en gemis blijft. Bert: „Als dat mij overvalt, ga ik meestal iets anders doen, afleiding zoeken. Nelie fietst in zo’n geval naar de weilanden hier in de buurt en schreeuwt daar letterlijk haar nood uit tot God.
Samen hebben we weleens gesproken voor ouders die een kind verloren hebben. Ik ontmoette toen ook een heel verdrietige vrouw, die zei: „Mijn zoon is verongelukt en hij had niks met het geloof.” Het enige waar deze vrouw zich nog aan vasthield, was het feit dat de jongen twee dagen in coma had gelegen. Zou God hem toen misschien nog opgezocht hebben? Dat was voor haar een strohalm, wíj hebben een boomstam om ons aan vast te klampen!
Op de eerste Vaderdag na Klarines sterven, verscheen er een regenboog. Ik heb met mijn handen in de lucht buiten gestaan. Ik denk ook veel terug aan de goede gesprekken die zij en ik hadden tijdens het schrijven van ons boek. We spraken bijvoorbeeld over onze littekens. Die zullen wij wellicht niet meer hebben, maar er zal er daar wel Eén zijn Die we herkennen aan de littekens in Zijn handen. Ik ben heel blij met alles wat we nog hebben kunnen bespreken.
En nu sta ik zelf op de drempel...”

Dankbaarheid

Ruim twee jaar na het overlijden van Klarine vermoedt Bert dat er weer een hartinfarct aan zit te komen. Hij heeft ernstige vermoeidheidsklachten en gaat voor onderzoek naar het ziekenhuis.
„Het lijkt er sterk op dat u de ziekte van Kahler heeft”, vertelt de arts die met de uitslag komt.
„En dat is?” vraagt Bert.
Uitgezaaide beenmergkanker.
„Ik heb altijd gehoopt dat ik geen kanker zou krijgen. Toch stortte mijn wereld niet in. Klarine is een heel groot voorbeeld voor mij. Ik besefte wat ik aan haar, maar ook bijvoorbeeld aan onze kleinkinderen, verplicht ben.
Opstandig voel ik me nooit. Wel denk ik soms dat de duivel een bloedhekel aan me heeft en me op de knieën probeert te krijgen. Het klinkt misschien overmoedig, maar dan denk ik toch: Ik geef niet toe, ik blijf God dienen!
Klarine heeft zich tijdens haar ziekte vastgehouden aan het woord ”dankbaarheid”. Het dagboek dat ze voor ons als naaste familie heeft achtergelaten, heet dan ook: ”Dagboek van een dankbare moeder”.
Toen begreep ik het vaak niet, nu ervaar ik het zelf. Ik heb nog zo veel om dankbaar voor te zijn. Ik heb een fantastisch huwelijk, heerlijke kinderen en kleinkinderen, genoeg te doen.
Momenteel ben ik met wel vijf verschillende kinderboekenseries bezig en ik ben vooral heel blij dat ik nog goed bij mijn hoofd ben.”

Loslaten

Dat zijn vrouw zeer waarschijnlijk relatief jong weduwe zal worden, vindt Bert een van de lastigste dingen. Ook daarbij denkt hij aan zijn overleden dochter terug.
„Klarine had het er vreselijk moeilijk mee dat ze haar kinderen moest loslaten. Toch heeft ze tegen Johan gezegd: „Jij moet niet mét mij sterven” en ze schreef zelfs een brief aan zijn eventuele toekomstige vrouw.
Inmiddels is Johan overigens inderdaad hertrouwd. Voor ons was dat heel spannend. Zouden opa en oma voortaan alleen nog een cadeautje op een kinderverjaardag mogen brengen – en dat was het dan...? Maar zijn nieuwe vrouw blijkt een geweldige vrouw te zijn! Ze praat met Nelie over de opvoeding van de kleinkinderen en die twee gaan samen wandelen, we hebben een hechte band met haar.
Gods plan met onze levens staat vast. Ik hoef niet bang te zijn, ook niet om degenen die ik achterlaat. Tijdens een van mijn operaties hielden Nelie en de kinderen een kringgebed voor mij, terwijl ze vol spanning zaten te wachten op de afloop. Een van de kleinkinderen zei na dat gebed: „Oma, ik word helemaal rustig vanbinnen.” Nelie vertelde toen: „Dat is nou werk van de Heilige Geest!” Ik denk dat kinderen zulke momenten nooit meer kwijtraken.
Het kan best zijn dat ze net als de verloren zoon een tijd van het padje raken, maar ze zullen zich herinneren dat het bij vader op de boerderij toch het beste was.”
Waar Bert Wiersema soms wel over in zit, is het feit dat de ziekte naar zijn hersenen kan slaan.
„Ik hoop echt dat mij dat bespaard zal blijven en dat ik als Jakob mijn kinderen mag zegenen.”

Strijd

„Ik ben enkele jaren op huisbezoek geweest met een heel fijne, vrome broeder die later alles kwijt leek te zijn doordat een ziekte naar zijn hoofd sloeg. Hij was zó gelovig geweest en nu zó bang voor de duivel. Gelukkig heeft hij zich kort voor zijn sterven toch helemaal mogen overgeven, maar dit is wel een schrikbeeld voor mij.
Ik heb gewoon een heel nare ziekte en er staat me vast nog een moeilijke tijd te wachten. Maar mijn doodstrijd is ten diepste al gestreden en het beste komt nog.”

beeld: Renate Bleijenberg-van Leeuwen

Smaakt Terdege naar meer?

En wil je de andere artikelen ook graag lezen?

Cover 13-9

Auteur

Jeannette Wilbrink-Donkersteeg

Volg ons lifestyle platform op instagram.