En zo is het, daarbuiten ”Zachtjes dwarrelt de sneeuw”. De kranten hebben het al aangekondigd, in woorden waarvan ik geniet. Dat ”Frau Holle” aan het strooien gaat. Dat ze ons ”liebe Grüße” zal brengen, lieve groeten. En dat het land ”angezuckert” wordt –hoe zeg je dat?– besuikerd… De wereld ligt er sprookjesachtig mooi bij. Toch denk ik onwillekeurig terug aan die andere novembermaand, toen de sneeuw ons in gevaar bracht… We wonen nog niet zo lang in Karinthië. Om de een of andere reden gaat Heidy vandaag niet met de bus naar school, maar breng ik haar. Vanwege de sneeuwval hebben we de auto gisteravond iets lager op de berg laten staan. In het halfdonker lopen we het steile weggetje af, onder een witte erehaag van buigende struiken door. We scheppen de sneeuw rond de wielen weg, maken de ruiten vrij en vertrekken. Enigszins krampachtig zit ik achter het stuur. „Bijsturen en niet remmen”, herhaal ik hardop de instructies van Maarten. Als we bovenaan een heuvel komen, zie ik aan de andere kant, beneden, een tegenligger dwars over de weg staan. Het is een vrachtwagen vol boomstammen, die het pad naar een houtzagerij in wil slaan, maar blijkbaar niet verder kan door de dikke sneeuwlaag. De chauffeur zit naast een voorwiel om de sneeuwketting te bevestigen. Ik neem gas terug en rem. De auto reageert niet. Integendeel, we maken meer vaart, nu we naar beneden rollen. Dieper probeer ik de rem in te trappen. Er gebeurt niets. Paniek laait in me op. De wagen vol bomen komt snel dichterbij! In een flits realiseer ik me dat die met z’n zware vracht geen millimeter zal wijken, als wij erop knallen. De rem blijft weigeren en ik besluit dat we beter de berm in kunnen gaan. Hopelijk komt de klap dan minder hard aan. „We gaan botsen, Heidy!” roep ik, en ik gooi het stuur naar rechts. Maar ook hierop reageert de auto niet. In plaats daarvan maken we een seconde later een rare zwieber naar links. Mét de enorme dreun zie ik een gedaante voor de voorruit langs vliegen. Het volgende moment staan we stil en ruik ik iets vreemds. Brand? „Eruit!” Ik spring naar buiten. Heidy kruipt achter me aan; aan haar kant zit de auto te veel in de kreukels. Ik trek haar mee naar overkant. Daar zie ik dat ze een hoofdwond heeft. Het bloed druipt langs haar slaap, tranen rollen over haar wangen. Ook de chauffeur komt naar de berm. Enigszins verdwaasd staart hij over zijn schouder naar z’n vrachtwagen, maar hij loopt! En dat terwijl hij net over mijn motorkap vloog. De rechterhelft van diezelfde motorkap plakt nu totaal verfrommeld tegen de trailer. Het linker portier van onze auto staat nog wijd open. Heidy’s mutsje ligt ervoor, in de sneeuw. Kerstmuziek schalt naar buiten. De cd-speler moet aangesprongen zijn. De airbags zijn uitgeklapt en veroorzaken ‘rook’. Van de momenten die volgen, zal ik me later weinig herinneren, behalve dat een ambulance ons alle drie naar het ziekenhuis brengt, hoewel de chauffeur er onbeschadigd uitziet en ikzelf alleen pijn in mijn schouder heb. En dat ik bang ben dat ook de ziekenwagen niet zal kunnen remmen. Want sneeuw is gevaarlijk. Nu staar ik naar de witte wereld. Ik huiver als ik eraan terugdenk dat Heidy na het ongeluk vertelde dat ze uit de auto had willen springen, toen ik riep dat we gingen botsen. Ze had het handvat al beet, maar er was geen tijd meer. Was die er wel geweest, dan was ze tussen beide voertuigen terechtgekomen en had ze het niet overleefd. Over dat alles peins ik, nu ik naar het sprookje daarbuiten staar. Sneeuw is als de zee, denk ik. En als de zon. Als het leven zelf… Heerlijk en gevaarlijk. Verrukkelijk en vreselijk. Vandaag is het heerlijk, die zacht dwarrelende vlokken van Frau Holle die de bergen en de dalen, de bossen en de akkers met suiker bestrooien. Iets om voor te danken. En dat doe ik niet alleen voor de sneeuw.