## Lezen: Ruth 2:1-13 In de loop van de morgen arriveert Boaz op zijn akker. Hij bezoekt zijn personeel, dat druk bezig is om de oogst binnen te halen. Het eerste woord dat we van hem horen, is de naam van de Heere: „De Heere zij met ulieden!” (4) Direct reageert zijn personeel met de bedewens: „De Heer zegene u!” Het vervolg maakt duidelijk dat Boaz’ groet geen holle frase is. Boaz vreest de Heere. Let wel, deze geschiedenis speelt zich af in de Richterentijd. Die periode staat bekend als de tijd waarin een ieder doet wat goed is in zijn ogen. En toch werkt de Heere, zelfs in deze moeilijke tijd. Dat geldt voor elke tijd, ook voor onze dagen. Om Gods werk vandaag te zien, is het beslissend welke kant u opkijkt: of naar boven, of naar beneden. Van harte hoop ik dat u omhoogkijkt. Dat de prediking ook u uw hoop op God leert vestigen. De Heere regeert, ook nu. Met het belijden van Gods Naam op de werkvloer plaatst Boaz het dagelijkse leven in het perspectief van het eeuwige leven. Ook de werkvloer behoort tot het voorportaal van de hemel. Heel het leven behoort immers God toe. Dat de Heere Zijn zegen over het werk gebiedt, is voor Boaz niet vanzelfsprekend. Bethlehem heeft ook andere tijden gekend. Nu God Zijn volk bezoekt door brood te geven, erkent Boaz daarvoor Zijn Naam. Boaz geeft dus leiding door de Heere te dienen. De vreze des Heeren is het geheim van geestelijk leidinggeven in kerk en samenleving. De Heere dienen door de ander te dienen. Dan dien je de naaste, maar is hij of ben jij niet de meester. Van beiden –werkgever of werknemer– is de Heere Meester. Hem dienend, dien ik mijn naaste. Dan ben je kind van Hem en dienstknecht van je naaste. Kortom: dan lijk je in het dagelijkse leven op de Meester. Hij omschreef Zichzelf eens als volgt: „Ik ben in het midden van u als Een die dient.” Tegelijkertijd heb je dan ook oog voor de mens op de werkvloer. Gods zegen biedt je de mogelijkheid om een ander een plaats te geven waar hij, jou dienend, de Heere dient. Vraag: Wanneer uw omgeving uw identiteit zou omschrijven, wat zou men dan van u zeggen?