## Lezen: Esther 4 Met twee retorische vragen leidt Naomi haar voorstel in. Naomi wil voor Ruth rust zoeken, opdat het haar welga. Concreet: ze wil voor haar schoondochter een man vinden, opdat hij haar vertroost, leidt en beschermt. De tweede retorische vraag onthult welke man Naomi voor Ruth in gedachten heeft: Boaz, een familielid. Laten we dit moment niet wegzetten als een soort huwelijksarrangement. We moeten ons namelijk realiseren dat Ruth een Moabitische weduwe is. Dit betekent dat zij niet behoort tot het volk Israël, maar tot een volk dat door God is vervloekt. Dat Naomi nu de leiding neemt, heeft alles te maken met Ruths kwetsbare situatie. Ze kan nergens op terugvallen. Als Moabitische weduwe kan zij geen aanspraak maken op Israëls wet van het losserschap, die geldt alleen voor het verbondsvolk. Naomi’s voorstel klinkt eenvoudig, maar is een waagstuk. Ruth moet zich baden, parfumeren, mooi kleden en naar de dorsvloer gaan. Daar moet zij zich verdekt opstellen, wachten totdat Boaz zich neerlegt, stilletjes naar hem toesluipen, het kleed waaronder hij ligt opzij slaan en aan zijn voeten gaan liggen. En dan? Wachten. En wat als Boaz wakker wordt, haar ontdekt en haar afwijst? Dan heeft ze niets verloren, want ze is een Moabitische en bezit niets. Ze is van twee zaken afhankelijk. Allereerst van de familielijn van haar overleden man en haar schoonmoeder; in de tweede plaats van Boaz’ gewilligheid. De familielijn bezit ze via haar schoonmoeder. Dat is haar geschonken recht. Het tweede –Boaz de losser– mist ze. Als ze gelost wordt, is dat een gunst. Ziet u hier niet iets oplichten van het werk van Gods Geest? Elke zondaar die tot God vlucht, heeft het recht van Gods beloften aan zijn kant. Dat is een geschonken recht. Maar de persoonlijke toepassing van die belofte aan uw hart is een gunst, enkel genade. Daarvoor bent u uiteindelijk afhankelijk van Christus’ gewilligheid. Maar als Hij ons voorhoudt dat hij die tot Hem komt, geenszins uitgeworpen zal worden, zou u het dan niet op Zijn woord durven wagen?