## Lezen: Ruth 4,11-22 „De Heere make deze vrouw die in uw huis komt als Rachel en Lea, die beiden het huis Israëls gebouwd hebben; en handel kloekelijk in Efratha en maak uw naam vermaard in Bethlehem. En uw huis zij als het huis van Perez (dien Thamar aan Juda baarde), van het zaad dat de Heere u geven zal uit deze jonge vrouw (Ruth 4,11-12). Met deze inhoudsvolle zegenbede bevestigen de getuigen de wettigheid van het huwelijk van Boaz en Ruth. Hun zegenbede telt verschillende elementen. Allereerst de woorden: „De Heere make deze vrouw als Rachel en Lea, die beiden het huis Israëls gebouwd hebben.” Deze wens verwijst naar de twee stammoeders van Israël: Rachel en Lea. Samen met de bijwijven Bilhah en Zilpah zijn zij de moeders van de twaalf zonen van Jakob, de stamhoofden van Israël. Zij plaatsen Ruth op gelijke hoogte met Rachel en Lea. Vervolgens de woorden: „die het huis Israëls gebouwd hebben”. De Bijbelse uitdrukking ”een huis bouwen” betekent allereerst een gezin stichten. Dat verlangen leeft in de boezem van een huwelijk, zeker van een christelijk huwelijk. Die wens mag in het gebed aan de Heere worden voorgehouden, ook wanneer de vervulling op zich laat wachten. Echter, de uitdrukking ”een huis bouwen”, krijgt in de toekomst in het huis van David een bijzondere betekenis. Wanneer koning David hoort dat niet hij, maar zijn zoon Salomo een huis voor de Heere mag bouwen, belooft God dat Hij voor David een huis zal bouwen, namelijk door de komst van de Messias, de Heere Jezus Christus ([2 Samuël 7](https://bijbel.bmuonline.nl/statenvertaling/2-samuel/7/),14). Nu, het huwelijk van Boaz en Ruth is het fundament van dit toekomstige huis. De uitdrukking ”een huis bouwen” bezitten dus een profetische lading. God bouwt via Ruth Zijn huis. Zij wordt een van de stammoeders van de Heere Jezus Christus. Tot slot betekenen deze woorden ook voor Ruth persoonlijk veel. Zij is vanaf nu niet meer een Moabitische, maar behoort als echtgenote tot het huis van Boaz (”die in uw huis komt”). God heeft haar in Israël ingelijfd; eerst persoonlijk door het ware geloof in Gods belofte, nu publiekelijk in Gods genadeverbond.