## Lezen: Ruth 4:11-22 In het eerste deel van Ruth 4 zijn de mannen aan zet, in het tweede deel de vrouwen. De vrouwen uit Bethlehem hebben we al eerder ontmoet, namelijk bij de terugkeer van Naomi uit de velden van Moab. Toen stond bij het weerzien van hun dorpsgenote de verbijstering op hun gezichten. Als een berooide vrouw strompelde Naomi haar geboorteplaats binnen. Zonder man, zonder kinderen. Leeg. Verbitterd, vooral in God. Nu treffen de vrouwen Naomi opnieuw. Maar wat een verschil! Ze is schoonmoeder van een van de machtigste mannen van Juda geworden. Grootmoeder van Obed, kind van hoop. Obed is de erfgenaam van wijlen haar man, Elimelech. Alles komt nu samen. En in die blijdschap treffen de vrouwen elkaar opnieuw. Gods hand sloeg niet, zoals Naomi bij thuiskomst de Heere verweet. Gods hand gaf genadig. Zijn deze vrouwen trouwens wel op kraambezoek in het huis van Ruth en Boaz? Volgens de vertellijn verwacht de lezer van wel. Maar die lijn verschuift subtiel met de vermelding dat Naomi het kind nam en op haar schoot zette (Ruth 4:16). Waar staat Obeds wieg en wie is nu zijn moeder? Ruth of Naomi? Ruth is de biologische moeder, Naomi de juridische moeder. De uitdrukking: het kind nemen en op schoot zetten, omschrijft de adoptie van een kind. Naomi heeft Obed dan wel niet gebaard, maar vanwege het losserschap aanvaardt ze hem als haar zoon. Obed is de erfgenaam van het bezit van Elimelech. In hem wordt de naam van Elimelech voortgezet. Daarom zingen de vrouwen tijdens het kraambezoek over „uw schoondochter, die u liefheeft, heeft hem gebaard” (Ruth 4:15). Zij loven „de Heere Die niet heeft nagelaten uheden een losser te geven” (Ruth 4,14). Zelfs de buurvrouwen erkennen daarmee Gods genade. Niemand kan het meer ontkennen. God geeft Naomi een losser. In het woord ”losser” klinkt alles door: de terugkeer uit Moab, de ontmoeting tussen Ruth en Boaz, de uitkomst van het proces in Bethlehems poort, het huwelijk tussen Boaz en Ruth en dan nu de gave van Obed. Door ons falen heen, volvoert God Zijn raad. Wie is als Gij, o Heere, oGod der legerscharen?