Het was een van de eerste Duitse zinnetjes die ik als kind van de meester op de lagere school leerde: „Das Glück ist dort wo du nicht bist.” En na het zinnetje kwam gaandeweg de werkelijkheid. Ook al heeft Pascal ooit gezegd dat „alle ellende van de mensheid voortkomt uit het feit dat we er niet in slagen om rustig in een kamer te blijven zitten”, toch blijkt op gezette tijden de verte onweerstaanbaar te trekken. Eenmaal hier in Oostenrijk wonend, ontdekte ik dat de Duitse taal voor dit fenomeen zelfs een eigen woord kent, dat wij Nederlanders moeten missen: Fernweh. Fernweh. Het tegenovergestelde van Heimweh. Het verlangen om het vertrouwde te verlaten en weg te zwerven naar verre oorden en onbekende streken. Daardoor zal het wel komen dat we op een dag besluiten dat we Hallstatt moeten zien, Heidy en ik. Na schooltijd pik ik haar op om richting een van Oostenrijks beroemdste bezienswaardigheden af te reizen. Ruim tweeënhalf uur later toeren we langs de oever van de Hallstättersee, waar we niets van zien, omdat het aardedonker is. „’s Avonds aankomen is het leukst”, vindt Heidy, „want zo blijft het nog even spannend waar je bent.” Ze heeft gelijk. Wat we wel zien deze avond, is al de moeite waard: een heerlijk warm, sfeervol huisje, voorzien van alle gemakken. Daar zitten we dan, bij een houtkachel, met een spelletje, nadat we plannen hebben gemaakt voor morgen. Pascal heeft het toch mis, bedenk ik. Waar je ook woont, even samen ertussenuit gaan is soms nodig, of in elk geval heel gezond. Dat blijkt ook de volgende ochtend, als we stil staan te genieten van het spiegelende meer in het vroege morgenlicht. Steil en hoog zijn de bergen rondom en allemaal dragen ze nog een witte muts, waar de opkomende zon een gouden gloed op werpt. Hallstatt zelf, met z’n historische huizen aan de waterkant, is inderdaad een droomplek, zien we een paar uur later. Ook het weer had deze dagen niet mooier kunnen zijn en het eten niet lekkerder. De dag erna staat de kabelbaan naar de Dachstein op het programma. De plaatjes zorgen voor de voorpret. Waar kun je beter zijn dan hoog in de bergen met niets –echt helemaal niets– dan sneeuwwitte pieken om je heen en de strakblauwe hemel vlak boven je? Op het moment dat we met wel vijftig man –zeg ik, volgens Heidy zijn het er maar vijfentwintig– in de gondel worden gepropt, gaat het mis. Ik sta klem tussen de naar zweet ruikende skipakken, omdat anders de deuren niet dicht kunnen. Bungelend komt het bakje in beweging. Met moeite kan ik over een schouder gluren om een glimp van de omgeving op te vangen, en dan weet ik dat ik een fout heb gemaakt. We hangen hóóg! Niet gewoon hoog, maar gruwelijk hoog. Mijn hart begint te bonken, mijn handen trillen en ik voel dat ik een beetje wagenziek word. Één schichtige blik naar buiten nog. Ergens vaag in mijn achterhoofd besef ik dat dat wat ik zie, weergaloos mooi is, een heel bijzonder stuk van Gods schone schepping, dat je hooguit een paar keer in je leven te zien krijgt. Maar gedachten aan de peilloze diepte onder me, het dunne kabeltje boven me en de mensenmassa rondom me maken het genieten onmogelijk. Pascal krijgt toch gelijk. Ik wil alleen maar gewoon in mijn kamer thuis zitten om de sneeuw op de bergen in de verte te zien smelten. Ik ben weer van mijn Fernweh genezen. Voor even. Volgende keer: Afscheid van een vriend