Een nieuw jaar ligt open voor ons als een onbeschreven blad. Wij hopen, plannen, verwachten. Maar wat blijft er nieuw als de dagen van het leven weer hun gewone gang gaan? Alleen daar waar de Heere Zelf vernieuwt, wordt het werkelijk nieuw. Dat zegt de Heere Zelf in het laatste Bijbelboek, waar Hij belooft: „Zie, Ik maak alle dingen nieuw.” Deze woorden klinken direct na tranen en moeite. De apostel Johannes ziet een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Het oude gaat voorbij: tranen, dood en rouw – alles wat door de zonde is aangetast. Hij, Die op de troon zit, zegt: „Zie.” Niet wij mensen maken nieuw. Johannes ziet op Hém, Die werkelijk nieuw maakt. Hij, Die hemel en aarde schiep (Gen.1:1), spreekt vanaf de troon opnieuw: Let op, Ík maak alle dingen nieuw. Een nieuw scheppingswoord. God brengt de eerste schepping tot stand. Ook de herschepping komt uit Zijn Vaderhand, dat het oude overtreft (Jes.43:19a). Want Gód maakt. Hoe máákt God? „Zijn Godd’lijk’ almacht spreekt, en 't is er, Zijn wil gebiedt, en 't wordt terstond.” (Ps.33:5, ber.) Hij, Die op de troon zit, volbrengt Zijn werk ten volle. Hij maakt álle dingen nieuw. Johannes mag in de openbaring een blik werpen in de toekomst. Hij ziet een toekomst waarin hemel en aarde nieuw zijn. Hij ziet een nieuwe schepping. Het oude is weg, alles is nieuw. Geheiligd. Tot eer en glorie van Hem, Die op de troon zit en van het Lam. De apostel Paulus schrijft in een van zijn brieven: „Zo dan, indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel; het oude is voorbijgegaan, zie, het is alles nieuw geworden.” Hij maakt nu al nieuw wie in Christus is. Dat geeft hoop voor het nieuwe jaar, omdat Hij zegt: „Zie, Ik maak alle dingen níeuw.”