De nauwe betrekking tussen Christus en de Zijnen wordt ons in Gods Woord op onderscheiden wijze voorgesteld. Zo worden de beelden gebruikt van de Wijnstok en de ranken, van het Hoofd en de leden, enzovoort. Het bekendst is het beeld van de goede Herder en Zijn schapen. Dat beeld sprak Israël, van afkomst een herdersvolk, aan. Ook in het Oude Testament werd de komende Messias aangeduid met de naam Herder. Denk aan [Ezechiël 34:23](https://bijbel.bmuonline.nl/statenvertaling/ezechiel/34/#23), waar de Heere belooft: „En Ik zal een enige Herder over hen verwekken en Hij zal hen weiden, namelijk Mijn knecht David; Die zal ze weiden en Die zal hun tot een Herder zijn.” Ook is [Psalm 23](https://bijbel.bmuonline.nl/statenvertaling/psalmen/23/) een van de bekendste psalmen. Daarin spreekt David uit dat de Heere zijn Herder is. De Heere Jezus noemt Zich de goede Herder, Die Zijn schapen kent. Zij kennen Hem ook, want zij horen Zijn stem. Zij geven daar gehoor aan door de overredende kracht van de Heilige Geest. Door Woord en Geest ontdekte de Heere hen aan hun verloren bestaan voor God. Ze gingen hun eigen weg. Dat werd hun tot schuld. Met smart en hartelijk berouw werd het ingeleefd. Wat een genade als de Heere leert als verslagen zondaren naar Hem te vragen en om genade te smeken. Dit is al het werk van de goede Herder, al kennen ze Hem nog niet. Maar daar werkt de Heilige Geest op aan, door Hem te verheerlijken. Dat werk is onmisbaar. :::shopify_product 1::: Hun geldt: „Ik heb u bij uw naam geroepen, gij zijt Mijne.” Dat geeft verwondering: „Vanwaar kent Gij mij?” Zo noemt Hij hen bij hun naam. Om dit werk te kunnen doen, moest Hij hen vrijkopen van de eisende gerechtigheid van God en hen rukken uit de macht van satan. Hierin komen Zijn Herdersliefde en Zijn voortreffelijkheid als Herder openbaar, dat Hij Zijn leven geeft voor de schapen. Daarin munt Hij uit boven alle andere herders. Jakob kon zeggen: „Ik ben geweest, dat mij bij dag de hitte verteerde en bij nacht de vorst en dat de slaap van mijn ogen week.” Maar hij gaf zijn leven niet voor de schapen. Net zo min als David, hoewel hij wel zijn leven waagde in het gevecht met de leeuw en de beer. Maar Christus legt vrijwillig Zijn leven af. De schapen zijn veroordeeld om te sterven. Dat vonnis was over hen uitgesproken: „Ten dage dat ge daarvan eet, zult ge de dood sterven.” Maar in de eeuwigheid stelde Hij Zich reeds Borg en sprak Hij: „Zie, Ik kom.” Hij, Die Gods Zoon is, stelt Zich vrijwillig onder het oordeel dat op ons rusten moet. „Wij dwaalden allen als schapen… Doch God heeft ons aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen.” Er kon ook op geen andere wijze voor onze zonden betaald worden, dan door de dood van de Zoon van God. Want zonder bloedstorting is er geen vergeving. Die grootheid en die liefde van de Herder dat Hij Zijn schapen zo beminde, dat Hij Zijn leven voor hen gaf, zal hen tot in eeuwigheid vervullen met verwondering en dankbaarheid. In de hemel weerklinkt het lied: „Gij zijt waardig dit boek te openen en zijn zegelen open te breken, want gij zijt geslacht en hebt ons Gode gekocht met uw bloed.” Deze Christus wordt nu in het Evangelie ieder aangeboden die onder het Woord leeft. Wat zijn we verhard als we die liefde versmaden en hoe zullen wij ontvlieden als we op die zaligheid geen acht geven?