## Lezen: Johannes 12:20-28 Sommige uitleggers plaatsen de geschiedenis van de voetwassing op een verkeerd moment. Zij suggereren dat geen van Jezus’ discipelen zich geroepen voelt om bij binnenkomst de voeten van de Meester en de medediscipelen te wassen. Allen voelden zich te goed voor dit slavenwerk. En dan staat de Meester opeens op. Echter, de evangelist Johannes vermeldt nadrukkelijk dat Jezus opstond ná het avondmaal (Joh. 13:2a). Dit betekent dat iedereen op een ligbank ligt en de maaltijd gehouden is. Jezus staat dus op een totaal onverwachts moment op. Onverwachts voor Zijn discipelen dan. Voor Hem is dit hét moment. Dat moment wordt enerzijds gemarkeerd door de liefde van de Vader tot Hem, anderzijds door de satan. Die heeft Judas’ hart vol geblazen om zijn Meester te verraden (Joh. 13:2). Beide kanten –de liefde tussen de Vader en de Zoon én het duistere werk van de satan– onttrekken zich op dat ogenblik aan de waarneming van Jezus’ discipelen. Maar de Meester weet dit wel! Door op dit beslissende moment op te staan, trekt Jezus de regie van Zijn lijden en sterven naar Zich toe. Zijn lijden overvalt Hem niet. Hij staat op om Zijn lijden te aanvaarden. Ook verlamt het satanische werk van de duivel de Zaligmaker niet. Integendeel, Hij staat letterlijk en figuurlijk op. Jezus is niet weerloos overgeleverd aan de aanstaande gebeurtenissen. Hij staat ook niet machteloos tegenover de duivel. Hij regeert over in Zijn lijden en triomfeert door Zijn lijden! Zijn koninklijke macht demonstreert Hij door Zijn klederen af te leggen, zich met een linnen doek te omgorden en water in een schaal te gieten om de voeten van Zijn discipelen te wassen (Joh. 13:4-5). Let u even op de gedetailleerde beschrijving van de evangelist? Hij schrijft vertragend. Stap voor stap neemt hij ons mee in zijn beschrijving van Jezus’ lijden. Elke stap die Jezus zet, nodigt uit tot stille overdenking van de woorden: Hij heeft hen liefgehad had tot het einde (Joh. 13:1). Met dat Jezus de voeten begint te wassen, daalt er een diepe stilte neer in de opperzaal. Wat gaat er om in het hart van deze zwijgende mannen? >Wat bedoelt Johannes met de woorden tot het einde (Joh. 13:1)?