In het buitengebied staat een huis te koop en het trekt onze aandacht. Misschien door de oude boomgaard of het historische klooster ernaast. Of is het de zware klok van de kloosterkerk, die elk kwartier slaat en bij ons naar binnen kruipt? „Platteland met toch een vleugje stad”, zeggen we tijdens de bezichtiging lachend tegen elkaar. Zo’n klooster is dan wel geen Sint-Jan; de geschiedenis ligt toch in de stenen verankerd. :::author_streamer 1::: Maar dan komen de twijfels. Over de staat van het huis: „te moderniseren”, in mooie Fundataal. En over de grootte van het perceel: abstracte cijfers, die niets zeggen over het werk dat erbij hoort. „Dat is 45 keer groter dan je tuin nu”, zegt een vriend lachend. „Heb je ook 45 keer zo veel tijd dan, om het bij te houden?” Echte vrienden verbloemen de waarheid niet. We dromen over voetballende kinderen in de boomgaard en hebben buikpijn over de afstand naar school en kerk. Daarom pakken we op een goede avond manmoedig de fiets. Je moet die afstand ten slotte ervaren. Enthousiast trappen we met het grut de eerste kilometers naar het naastgelegen dorp. Dit gaat goed, we hebben het tempo best te pakken. En wat valt die rust eigenlijk op je, als je de stad verlaat. Maar dan komt het venijnige staartje van de rit: de laatste kilometers, steeds verder van de bewoonde wereld vandaan. We worden stiller en moeten harder trappen. De huizen worden boerderijen. De aangeharkte tuinen veranderen in ruwe erven, die allang niet meer tot in detail zijn uitgedacht. Moet je er eigenlijk tussen passen om hier te wonen, vragen we ons af. Kun je je hier thuis voelen terwijl het boerenbloed niet door je aders stroomt? Vertwijfeld kijken we elkaar aan. Dit wordt helemaal niets. _Redacteur Henrieke Hoogendijk verwisselt met haar gezin de haastige stad voor het stille platteland. Maar kunnen stadsmensen aarden tussen fruitbomen en schapen? _