De praktijk waarbij ik destijds ging werken (en waarvan ik later eigenaar werd), was toen nog klein. Er was weinig mankracht over om mij te kunnen inwerken of te begeleiden op mijn eerste schreden in de praktijk. Ik had de auto van mijn vader overgenomen en bouwde zelf achterin een soort kast voor de medicijnen en het medische materieel dat ik bij me moest hebben. Een Nokia 6310 –en wat waren die oersterk!– en een stratenboek – en zo was ik klaar om de weg op te gaan. ’s Morgens kreeg ik een lijstje namen en adressen mee. „Kijk zelf maar even wat een logische route is.” En daarmee was de kous af. Ik was toch afgestudeerd als veearts? Dus dat zou wel gaan lukken. Ik meldde me bij een veehouder die ’s morgens naar de praktijk had gebeld vanwege een zieke koe. Netjes aan de achterdeur. De boerin liet me binnen. Ze keek me een beetje afwachtend, om niet te zeggen wantrouwend aan, toen ik enigszins timide aangaf de nieuwe veearts te zijn. Ze stommelde naar voren en riep haar man: „De veearts is er, ’t is nog maar een broekie hoor!” En dan moet je nog aan de klus beginnen. :::author_streamer 1::: Meestal liep het allemaal wel goed af, al herinner ik me nog goed de slapeloze nacht nog goed nadat ik uren had staan tobben om een kalf via een keizersnee uit een inwendig totaal vergroeide koe te snijden. De veehouder zag me zweten en tapte een kan melk om me in de benen te houden. Een collega bellen voor assistentie: daar wilde ik zo lang mogelijk mee wachten. Dat doen we tegenwoordig toch anders: even een foto onderling delen, zodat we als collega’s elkaar verder kunnen helpen en desnoods pakken we pittige klussen samen met een jonge collega op. En het stratenboek, dat is allang smoezelig en verfomfaaid bij het oud papier beland… _Peter de Leeuw vertelt over zijn belevenissen als veearts. Samen met zijn vrouw Corien heeft hij de leiding over een dierenartsenpraktijk in Giessenburg._