Als kind en als jongere ben ik tweemaal geopereerd aan iets kleins. De ziekenhuizen waar ik lag, waren niet groot, negentig bedden en één operatiekamer, weet ik van een ervan. De directeur was zelf nog gewoon chirurg. De zorg was prima en hoogst serieus. Voor een sneetje van drie millimeter werd ik vijf dagen opgenomen. Voor een iets groter sneetje dertien dagen. Daarna lag ik thuis ook nog veel op bed. En een maand lang heb ik vanwege de wond van drie millimeter antibiotica-injecties van de huisarts gekregen. Verpleegsters (die heetten toen nog zo) liepen met witte kapjes op. De christelijke identiteit van een van die ziekenhuizen was overduidelijk aanwezig. Personeel begon de zondag met zang in de ziekenhuisgangen. Op het plafond boven de operatietafel waren de woorden uit Psalm 32 in koperen letters te lezen: ”Mijn oog zal op u zijn.” Verschillende patiënten die die woorden vlak voor de operatie lazen, waren erdoor ontroerd. ## Deskundigen Mijn derde ziekenhuisopname was in maart 2024. Ik moest een openhartoperatie ondergaan. Naar verwachting zou de opname vijf tot acht dagen duren. Uiteindelijk werden het er negen. De medische zorg was goed. Dat geldt vanaf de dag waarop ik samen met mijn vrouw voorlichting kreeg over de aanstaande operatie tot op de dag waarop ik uitgeleide gedaan werd met de ontslagbrief en de medicijnen. Mijn vrouw was trouwens ook erg gelukkig met de manier waarop zij op de dag van de operatie op de hoogte gehouden werd van de gang van zaken. Ik heb alleen maar deskundigen ontmoet. Ieder was professioneel verantwoordelijk voor een klein deel van de zorg die ik nodig had. De chirurg had zijn aandeel, maar ook de dame van de catering en de jongeman die mij voor een longfoto moest ophalen. Verpleegkundigen hielden zich bezig met de medische zorg. En dus niet met het opmaken van een bed als er weer een nieuwe patiënt kwam. Dat deed de mevrouw die daarin geprofessionaliseerd was. (Ze zei tegen mij: „Ik zit al vijf jaar in de bedden”.) Meestal kwamen de verpleegkundigen de kamer binnen met een karretje met medicijnen en een computerscherm. De benodigde informatie hadden ze zo altijd bij zich. Ik heb me erover verbaasd hoe efficiënt de behandeling en zorg geregeld waren. Iedere professional stond op het goede moment bij mijn bed en bij dat van veel anderen. Nu is cardiologie/thoraxchirurgie onderdeel van de planbare zorg (anders dan de eerstehulpafdeling of de zorg in een verpleeghuis!) maar dan nog, alles wás ook echt goed geregeld. Het personeel was ook nog eens altijd vriendelijk, behulpzaam en correct. >Efficiënte planning brengt patiënten terug tot een streepjescode om hun pols ## Productie Wat heb ik waargenomen? Deze efficiënte zorg is het ideaal in onze samenleving. Dit is de maakbaarheid en dus voorspelbaarheid ten top. Afgekeken van het bedrijfsleven wil de overheid eigenlijk zo veel mogelijk in de samenleving zó regelen. Precies op het goede moment krijgt een mens wat hij nodig heeft. Planning, input, output zijn zo belangrijk dat men eigenlijk geen raad weet met alles wat en iedereen die de planning verstoort. Ook zorgverzekeraars moeten blij zijn met de planbare zorg. Als die goed geregeld is, drukt dat de prijs. Dat zou voor hen nog leuker worden als ziekenhuizen nog meer mochten concurreren dan ze nu al doen. Dan kreeg dat ziekenhuis de zorg toevertrouwd dat nóg efficiënter kon werken en mensen met een openhartoperatie al na drie dagen naar huis kon sturen om die daarna bijvoorbeeld nog drie dagen op afstand te begeleiden. Planbare zorg is op productie gericht. Dat levert goede resultaten op voor patiënten, maar is ook de inkomstenbron van het ziekenhuis. Letterlijk zei een verpleegkundige: „Een paar jaar geleden hadden wij een hogere productie van openhartoperaties.” Dat is geen taal van een ziekenhuis, maar van een bedrijf. Er staan dus niet voor niets managers aan het roer. ## Inhumaan De kwalitatief hoogstaande zorg die ik ontving is tegelijk eigenlijk inhumaan. Dat klinkt hard, maar een dierenkliniek wordt niet anders geleid. Sterker nog: deze zorg lijkt op de lopende band in –wat zullen we zeggen– een autofabriek. Precies op het goede moment komt de ene deskundige een onderdeel van de auto aanbrengen (in dit geval: vervangen!), de andere deskundige komt een schroefje aandraaien en een derde deskundige brengt een verflaag aan, zodat na vier dagen er een goed rijdende auto van de band rolt. Niemand heeft echte belangstelling voor de patiënten. De tijd om hen te leren kennen, is daarvoor te kort, de werktijden van het personeel zijn te wisselend en de bijdrage die iemand levert is te beperkt. Patiënten worden gereduceerd tot hun kwaal. De belangstelling voor een patiënt heeft alleen daarmee te maken. De hele mens bestaat niet in het ziekenhuis. Er ligt iemand met verstopte kransslagaderen of lekkende hartkleppen. Dat is de focus. Zelfs als er gevraagd wordt „heeft het eten gesmaakt, kunt u slapen, bent u al naar het toilet geweest?” is dat slechts functionele belangstelling. Herstellende patiënten moeten die stadia van de lopende band passeren. Ik weet van horen zeggen dat op andere afdelingen, waar patiënten langer liggen of vaker terugkomen, de persoonlijke belangstelling groter is. De woorden ”verpleegster” of ”verpleger” worden niet meer gebruikt. De woorden ”zuster” of ”broeder” heb ik in het ziekenhuis ook niet meer gehoord. Vermoedelijk zeggen alleen hoogbejaarde patiënten dat nog. Daarmee werd de verhouding professioneel gehouden. Het relatiebegrip ”zuster” is ingeruild voor de aanduiding van de deskundigheid. Ik ben ook niet opgenomen in het ziekenhuis om relaties te ervaren, maar om deskundige hulp te krijgen. Ooit kwamen de woorden ”broeder” en ”zuster” uit de kloosters waar zieken verpleegd werden. De relatie was belangrijker dan de deskundigheid. Het is nu andersom. ## ‘Gebliept’ De digitalisering heeft het ziekenhuis veroverd. Dat maakt efficiënt plannen mogelijk. Dat brengt patiënten vervolgens terug tot een streepjescode om hun pols. Patiënten worden de hele dag ‘gebliept’, zodat de verpleegkundige zeker weet dat ze de juiste patiënt de juiste zorg verleent op het juiste tijdstip en dat wordt vervolgens onmiddellijk geregistreerd. „Mag ik uw polsbandje even zien? Bliep. Wat is uw geboortedatum?” En weg was de verpleegkundige weer. Waar lijkt de zorg op? Ik heb al gezegd: op een lopende band in een autofabriek. Of op het helpen van mensen in een winkel, dat is volgens mij ook een aardige vergelijking. De patiënt is de consument. De zorgverleners brengen een product aan de man. In een winkel word je ook vriendelijk geholpen en heeft niemand belangstelling voor jou zelf. En als klant heb ik ook geen behoefte aan belangstelling voor mij persoonlijk door de verkoper. Wat ik tot nu toe opgeschreven heb, bedoel ik niet als klaagzang. Ik constateer slechts. Ik vermoed dat de meeste patiënten het gewoon prima vinden dat ze gereduceerd worden tot hun kwaal en dat ze zo snel mogelijk weer thuis zijn. Dat patiënten op klanten lijken, bleek mij ook omdat ze nauwelijks belangstelling voor elkaar hebben, net als in een winkel. Als je in een winkel al met een andere klant praat, doe je dat over de producten die er staan, niet over jouw persoonlijke leven. Zo is het ook in een ziekenhuis. Je wisselt met medepatiënten hoogstens iets uit over waarvoor je bent opgenomen en wat je dus nodig hebt. Waarom zou je meer met een ander delen? Soms heb je één dag een buurman (of buurvrouw) soms twee dagen, heel soms drie. Met die onbekende ander ga je dan geen persoonlijk gesprek voeren. Patiënten zijn druk genoeg met zichzelf. Dat is tegenwoordig ook: ze zijn (als de gezondheid dat toelaat) de hele dag met hun mobieltje bezig. Als ze dat wegleggen, zetten ze hun koptelefoon op en de televisie boven hun bed aan. Ieder is opgesloten in zijn eigen cocon. ## Bedankje Dat de zorg onpersoonlijk geworden is, bleek ook toen ik naar huis mocht gaan. Wie kon ik bedanken? Het personeel dat die dag werkte, zag mij misschien voor het eerst. De arts die mij geopereerd had, was uiteraard onbereikbaar en hij was ook maar een van de velen die aan de lopende band gestaan hadden. Het ziekenhuis draait als een onpersoonlijk systeem –hoe aardig de mensen ook zijn– en een systeem kun je niet bedanken. Dus ik heb maar gezwaaid naar de mensen in de zusterpost (die heet, geloof ik, nog zo) en een dochter heeft er een pot snoep met een bedankje neergezet. Heb ik het naar mijn zin gehad in het ziekenhuis? Prima! Ik kwam er wel doorheen, al heeft niemand belangstelling voor mij zelf gehad. Want ik ontving liefde en aandacht genoeg van familie, vrienden en collega’s. Ik kwam uit een goedlopend gezin en ging daar weer naartoe. Ik heb medelijden met mensen die hoogstaande zorg ontvangen, tijdens hun verblijf in het ziekenhuis weinig persoonlijke aandacht krijgen en na vijf dagen naar een huis terug moeten waar niemand op hen zit te wachten. Mijn leven is nog op orde, maar hoe gaat het vervolgens met mensen die na vijf dagen met een gekraakt lichaam in een rommelig bestaan verder moeten? Dan schiet de hoogstaande zorg te kort, want na het ziekenhuis komt het veel moeilijker te plannen deel van de zorg die mensen soms wel nodig hebben. ## Predikant Ik heb in het ziekenhuis weinig gemerkt van de dienst Geestelijke Verzorging. Een vrijwilliger gaf me een folder over een kerkdienst. Een gesprek kon ik eventueel zelf aanvragen. Zo werkt de Geestelijke Verzorging. Als een soort toetje op de zorg, maar geen onderdeel van de zorg. De dienst Geestelijke Verzorging zou actiever kunnen zijn om mensen die méér dan zorgconsument willen zijn, te begeleiden. Margriet van der Kooi noemt dit prachtig: hart- en zielzorg verlenen. De Geestelijk Verzorger heeft de héle mens op het oog. Ik had het genoegen om in die negen dagen drie predikanten bij mijn bed of tafel te spreken. Eentje kwam officieel voor mijn buurman. Die predikant had trouwens van het personeel te horen gekregen dat hij voortaan onder het bezoekuur moest komen en niet meer daarbuitenom – dat verstoort immers de efficiënte zorg. De toekomst van de hoogstaande, efficiënte, planbare zorg lijkt mij onzeker. Blijft deze betaalbaar als er vanwege de vergrijzing steeds meer mensen een beroep op doen? En is er personeel genoeg? Op de afdeling thoraxchirurgie kan alles goed geregeld zijn, maar als er niet genoeg personeel op de intensive care is, loopt ook de planning van de hartchirurgie vast. Nu zal de meest interessante zorg het langst genoeg personeel hebben. (Welke verpleegkundestudent gaat de studie doen om verpleegkundige te worden in een zorgcentrum met dementerenden…?) Maar ook daar kan het misgaan. Hoe de managers dat gaan oplossen, weet ik niet. Het zal hier in elk geval niet worden zoals een predikant in Afrika mij vertelde. Hij was ’s nachts in een ziekenhuis bij een stervende op bezoek. In de gang was hij toevallig een hem bekende chirurg tegen het lijf gelopen die opgeroepen was voor een spoedoperatie. Even later werd hij opgetrommeld: „Dominee, we komen twee handen te kort bij de operatie. Zou u willen assisteren?” Even later stond de predikant in operatiekamerkleding naast de patiënt. Misschien kunnen ze er in Nederland wel iets van leren: creatief omgaan met ongeplande situaties en niet bang zijn voor klachten die na afloop ingediend kunnen worden.