„Zo grappig: Er is hier een vriendinnetje van Carlijn aan het spelen. „Wij hebben een christelijk konijn gekregen”, zei ze. „O, hoe dat zo?” vroeg ik. „Hij is van ds. Zondag!”” Ja, het meisje was in het bezit van ”een christelijk konijn”. Deze hoedanigheid van het konijn werd in verband gebracht met de afkomst van het dier. Het geval wil dat ik, samen met onze achtjarige dochter Madelief, de dagelijkse zorg voor een konijnenvolk heb. Het aantal volwassen dieren schommelt rond de twintig en de dertig. Sommige lopen vrolijk los in de pastorietuin, om met enige regelmaat een bezoek aan de buurtjes te brengen. Aangezien konijnen in de regel behoorlijk vruchtbaar zijn, hebben wij regelmatig nestjes met jonge dieren. Het aantal dieren kan dan heel snel toenemen. Een aantal jonkies vindt een thuis bij kinderen van onze gemeente. Het is steeds weer een kostelijk gezicht, die glunderende gezichtjes als ze met hun kostbare schat naar huis gaan. Het is terecht als iemand zegt dat christelijke konijnen niet bestaan. Het maakt niet uit of ze zijn geboren op het erf van de pastorie, of ergens anders. Dieren hebben immers geen ziel voor de eeuwigheid (Pred. 3:21). Dat wil niet zeggen dat het werk van Christus aan de dierenwereld voorbijgaat. Door de zonde rust er een vloek op de hele schepping (Rom. 8:19-22). Daardoor vormen bepaalde dieren voor elkaar en voor de mensheid zelfs een bedreiging. :::author_streamer 1::: De Schrift leert dat het op de nieuwe aarde anders zal zijn. In Jesaja 11 lezen we over de herschepping van de aarde. Daarin gaat het over wolven, leeuwen en giftige slangen. Zij fungeren straks als speelkameraden voor kleine kinderen (Jes. 11:6-8). Wie had dat gedacht: een wolf in vrede levend met een lammetje, een luipaard liggend naast een geitenbok, een kalfje naast een jonge leeuw, een koe naast een berin? Kleine kinderen zullen zonder gevaar spelen met adders en andere slangen (Jes. 11:8). Vleesetende dieren zullen –zoals het was bedoeld (Gen. 1:30)– gras en ander plantaardig voedsel eten. Daarvan heeft de Heere in het Oude Testament reeds een voorsmaak gegeven. Men denke aan de ark van Noach, waarin alle dieren in vrede met elkaar leefden. En sloot de Heere de mond van de leeuwen niet toe toen Daniël in de leeuwenkuil werd gegooid? Ds. W.L. Tukker schrijft hierover: „Dit nu zal het heerlijk werk van Christus zijn aan de schepping, dat ook alle sporen van de zonde en alle gevolgen van de zonde geheel zullen wegvallen. Het wordt inderdaad een nieuwe schepping. De aard der mensen wordt herschapen. Ook de aard der wilde en verscheurende dieren wordt herschapen. Zou wél een mens een wild dier kunnen temmen en zou niet de Schepper aller dingen, Die van elk dier de aard bepaalde, niet opnieuw een andere aard kunnen geven naar Zijn welbehagen? Hij kán het doen en Hij zál het doen.” _Ds. W.A. Zondag, Dordrecht _