Hopelijk hebben we onze beide ogen en handen nog, nu de jaarwisseling er weer op zit, want elk jaar kost die vuurwerk ogen en handen. Soms zelfs levens. Vanwaar toch al dat kabaal rond oudejaarsavond? Dit heeft in zekere zin nog altijd te maken met zonnewende. Dat was in de oudheid een twaalf dagen durend festijn, dat aanving op 21 december en eindigde op 1 januari. Men vierde luidruchtig dat de dagen langer gingen worden. Bij het nazoeken van het woord zonnewende stootte ik op een stichting met de naam Zonnewende. In 1912 richtte freule M.C.W. Calkoen deze op, om invalide mensen met elkaar in contact te brengen via correspondentie, en dan wel met Gods woord als basis en troostbron. Zij deed dit in navolging van de Waalse kerk, waar men daar enkele jaren eerder mee was begonnen, toen een 34-jarige man van zijn paard was gevallen. Zijn ruggengraat was gebroken en zijn benen waren verlamd. Na vier maanden overleed hij, nadat hij een rijk getuigenis had mogen geven van de hoop die in hem was. Het was ds. W.A. Keers (1868-1927) die het corresponderen ter hand nam. Hij was toen 44 jaar en woonde met vrouw en kinderen te Utrecht, nadat hij al op 39-jarige leeftijd gedwongen werd emeritaat aan te vragen vanwege toenemende verlammingsverschijnselen. Zijn zoon Benjamin (1895-1976), die later zendingspredikant werd, deed eens een boekje over zijn vader open: „Als kind en jonge man heb ik vaak getobd over het waarom. Waarom moet vader toch geheel invalide zijn? Als predikant zou hij toch veel meer kunnen doen voor de Heere. Gebeden voor zijn genezing zijn niet verhoord en op het waarom kwam geen antwoord. Maar in later jaren ben ik steeds duidelijker gaan zien, wat een stroom van zegen is uitgegaan van dat niet alleen geduldig, maar ook –en dat is veel moeilijker– blijmoedig gedragen lijden. De verlamming nam steeds toe, zodat hij ten slotte niets meer zelf kon en met alles geholpen moest worden. Maar in die meer dan twintig jaar heb ik hem niet één keer horen klagen. Ook geen breedvoerig praten en uitweiden over zijn ziekte. Als hij een moeilijke nacht had gehad –het is wat, als je niet makkelijk ligt en je kunt zelf geen arm of been verleggen– en ik 's morgens kwam om hem uit bed in zijn rolstoel te tillen en vroeg: „Goed geslapen, vader?” dan was het antwoord: „Dank je, jij ook?” en verder geen woord over de slechte nacht. Hij was de vrolijkste bij ons thuis. Ondanks ziekte en financiële zorgen, waarin wij menigmaal Gods reddende hand wonderbaar hebben ervaren, hadden we een thuis met een opgewekte, blijde, christelijke sfeer, veel meer dan in menig huis, waar men geen ziekte en zorgen kent. (...) De mensen zeiden: „Als dominee kon hij goed preken, maar dit is de beste preek.” Wat is daar veel zegen van uitgegaan! Veel meer, dan wanneer hij gezond zou zijn geweest en als predikant had kunnen werken! (...) In de ruim veertig jaar, dat ik als predikant gewerkt heb, heb ik zeldzaam veel zegen op mijn werk gehad. Dat komt door wat ik mee gekregen heb uit het ouderlijk huis met een blijmoedig lijdende vader (...) Ik schrijf dit niet om mijn vader te verheerlijken. Dat zou niet in zijn geest zijn, maar voor zieken, die niet kunnen werken en misschien denken dat hun leven nutteloos is: wanneer u met Christus, die voor ons het zwaarste lijden gedragen heeft, uw lijden blijmoedig draagt, dan gaat er zonder dat u het zelf merkt, zegen van uit, die doorwerkt, misschien wel langer dan vijftig jaar!”