Het terrein op Vliegbasis Woensdrecht ruikt naar een mix van olie en kerosine. In een hangaar sleutelt een monteur aan een Apachegevechtshelikopter. Bij het Logistiek Centrum Woensdrecht –het kloppend hart van de luchtmachtlogistiek– wordt druk geladen en gelost. Toch is het op deze doordeweekse dag nog betrekkelijk rustig op de grootste luchtmachtbasis van Nederland. De reden: corona. Het grillige virus gaat ook het defensieapparaat niet voorbij. Ds. Jelle Kommerie, sinds 1 november krijgsmachtpredikant in een ruim tweeduizend zielen tellende ”luchtmachtgemeente”, verricht zijn krijgsmachtpastoraat dan ook vooral vanuit huis. Als kleine knul had hij niet kunnen bedenken dat hij ooit als predikant zou aantreden op een luchtmachtbasis. Jawel, Kommerie vond de F-16’s die regelmatig vanaf Leeuwarden over zijn ouderlijk huis raasden „bijster interessant”, maar ook niet meer dan dat. De stap naar de Diensten Geestelijke Verzorging –in krijgsmachtjargon afgekort tot DGV– bij Defensie was er dan ook een van jaren. En die jaren waren weleens moeilijk, bekent ds. Kommerie vanuit zijn nieuwe onderkomen in Dordrecht. „Ik liep met vragen: Is dit wel de weg die de Heere wil dat ik ga?” Toch werd tijdens de periode „in de wachtkamer” zijn blik juist verbreed. „Als vrijwilliger bij Gevangenenzorg Nederland maakte ik kennis met justitiepredikanten en hoorde ik voor het eerst van predikanten die bij de krijgsmacht dienden. Ik kreeg er oog voor dat het predikantschap meer kon betekenen dan een bestaan als gemeentepredikant.” Een roeping in het leger zat er aanvankelijk niet in: om krijgsmachtpredikant te kunnen worden, moet je namelijk in minimaal één gemeente ervaring hebben opgedaan. Maar daar zat het juist op vast. Tot er een beroep uit Andelst kwam. Daarmee werd niet alleen dat bezwaar weggenomen, maar verdween het hele onderwerp naar de achtergrond. Loslaten kon de jonge gemeentepredikant het idee echter nooit. „Regelmatig kwam het naar boven. Ik vind het namelijk belangrijk dat de kerk niet alleen naar binnen is gericht, maar ook naar buiten. Het evangelisatiewerk dat we in Andelst oprichtten, versterkte dat verlangen.” Een vacature van Defensie voor krijgsmachtpredikanten in november 2019 deed het sluimerende verlangen dan ook weer ontwaken. Tegelijkertijd maakte het ongekende gevoelens los. „Het eerste beroep van een kandidaat is heel anders dan een beroep wanneer je al een gemeente hebt. Eerst wordt er immers aan één kant aan je getrokken, maar bij een tweede beroep werken er twee krachten. Dat kende ik nog niet. Toch denk dat ik daar iets van heb ervaren bij het lezen van die advertentie. Het zette me aan het denken, vooral omdat je –anders dan bij een beroep– zelf gaat solliciteren. Daar was in de gemeente geen enkele aanleiding toe.” Stroomversnelling Gesprekken met collega’s deden ds. Kommerie besluiten om de stap naar de krijgsmacht te zetten, met het gebed of de Heere Zelf duidelijk wilde maken welke weg hij moest gaan. Dat er geen afwijzingsbrief kwam, vormde een eerste bevestiging. Maar na een sollicitatiegesprek op landgoed Beukbergen en een „pittig gesprek” op de Frederikskazerne in Den Haag belandde ds. Kommerie toch weer op de bank: er waren acht vacatures en hij was kandidaat nummer negen. Dus bleef hij de gemeente trouw, totdat de DGV in april 2020 alsnog een beroep op hem deden. Er was een kandidaat afgevallen, of ds. Kommerie nog interesse had. De nieuwe roep bracht het predikantenbestaan in een stroomversnelling. In allerijl moest ds. Kommerie zich opwerken voor een hele reeks keuringen. Door omstandigheden vond de sportkeuring al na drie weken plaats. Ds. Kommerie, lachend: „Ik heb toen enigszins gesidderd.” Daar kwam nog het beroep bij dat juist in die tijd door de hersteld hervormde gemeente van Elst op hem werd uitgebracht. „Het bracht me aan het wankelen. Had ik me dan toch vergist?” Op de vrijdag voordat hij een beslissing moest nemen, gaf Defensie echter definitief groen licht. „Toen kon ik met rust bedanken.” Zand in de raderen De overstap van het gemeenteleven naar de geestelijke verzorging werd unaniem gesteund door de synode, die sinds 2004 nog nooit een geestelijk verzorger leverde. Dat de kersverse krijgsmachtpredikant op Woensdrecht zou worden gestationeerd, stond niet op voorhand vast. Hij mocht dan een voorkeur opgeven, de DGV konden niet garanderen dat die werd gehonoreerd. Ds. Kommerie vond alles prima, als het maar geen Koninklijke Marine werd. „Een dagje op een onderzeeër lijkt me leuk, maar een maand onder water? Ik moet er niet aan denken!” Het werd dus Woensdrecht: een „ambtenarenbaan” tussen heli’s en Pilatus-lesvliegtuigjes. Anders dan in Andelst werkt de predikant nu van maandag tot en met vrijdag. Op zaterdag en zondag is hij vrij, al gaat hij nog geregeld voor. „Ik geniet van het preken en vind het belangrijk om de band met de kerk te houden. Door op zondag voor te gaan, blijf je betrokken.” Tegelijkertijd probeert hij een brug te slaan tussen zijn nieuwe werkveld en het zendende kerkverband. „Ik vind het belangrijk om het contact tussen de kerk en de krijgsmacht te houden en bijzondere aandacht te vragen voor de mannen en vrouwen die vanuit onze kerk binnen Defensie werken.” Was het gemeentepastoraat vooral gericht op geestelijke bijstand, op Woensdrecht is ds. Kommerie „het zand in de raderen” van Defensie. „Als krijgsmachtpredikant probeer je mensen uit hun werk te halen, hun gedachten op andere dingen te richten.” Wezenlijke zaken staan voorop. „Wanneer ik een monteur vraag of ik hem kan helpen, ga ik natuurlijk niet sleutelen aan een Apache.” Over belangstelling heeft hij niet te klagen. „Je merkt echt gedrevenheid bij de mensen hier. Ze vinden het prachtig om over hun werk te vertellen.” Met een lach: „Zeker aan iemand die toch zijn mond moet houden.” Preken is niet meer zijn kerntaak. „Maar als ik vraag: „Hoe gaat het met je leven?”, kom je toch snel op zingevingsvragen uit. Mensen vinden het heel prettig dat er iemand is die verder vraagt dan het werk.” Een voordeel daarbij is dat geestelijk verzorgers –Woensdrecht telt naast ds. Kommerie nog twee krijgsmachtpredikanten en een humanistisch raadsvrouw– een bijzondere rol hebben binnen het krijgsmachtapparaat. „We vallen niet binnen de bevelstructuur en kunnen daardoor overal binnenwippen. Zo kunnen we zaken aankaarten die we op de werkvloer signaleren en waarbij we onze bedenkingen hebben.” De defensieregels gelden echter voor iedereen. Daarom leert ds. Kommerie sinds april aan de Koninklijke Militaire Academie in Breda wat het inhoudt om militair te zijn met de militairen. Dat betekent: marcheren, op bivak en geblinddoekt en met gebonden handen van de duikplank – in de hoop dat je collega’s je redden. Daarna volgt een aantal weken op landgoed Beukbergen, waar de kneepjes van het krijgsmachtpastoraat worden geleerd. Schieten zal hij „helaas” niet: geestelijk verzorgers vallen niet onder de krijgstucht en mogen daarom ook geen wapens hanteren. Ambassadeur Op de vraag of dit nu is wat hij in gedachten had, blijft ds. Kommerie lange tijd stil. „Ja en nee”, klinkt het dan voorzichtig. „Ik ben nog steeds predikant en doe nog steeds het pastoraat. Daar geniet ik van, want daar voel ik me toe geroepen. Maar de wereld van Defensie is een heel brede wereld. Het beeld dat we in onze gezindte hebben van de wereld om ons heen, is soms heel anders dan de werkelijkheid, als je er middenin stapt. In mijn vorige gemeente was ik, als ik het heel hoogtheologisch mag zeggen, een representant van God. In deze functie ben ik veel meer een ambassadeur van Christus in deze wereld.” Aarzelend: „Ik voel mij enigszins zoals de Heere Jezus rondging door Judea en Galilea en daar de nood van de mensen zag. In dat spoor wil ik ook gaan.” Op Vliegbasis Woensdrecht heeft ds. Kommerie een „ambtenarenbaan” tussen heli’s en Pilatus-lesvliegtuigjes. Dit interview met de krijgsmachtpredikant stond in Terdege (nr. 18, 26 mei 2021). beeld: Niek Stam