De grote stad Graz is toch maar een eind weg, denk ik, terwijl onze wagen over de ”Autobahn” van Karinthië naar Stiermarken zoeft. We ‘beklimmen’ juist de Packsattel, een pas van bijna 1200 meter hoog, waar het ’s winters flink kan sneeuwen en stormen. Nu is het rustig hier. En aardedonker. We hebben de lange reis er graag voor over. Vanavond ”graduiert” Jos aan de hogeschool voor journalistiek in Graz. Dit betekent dat hij zijn diploma in ontvangst mag nemen en daar willen wij natuurlijk bij zijn. Als we in de buurt van de school komen, hoeven we niet te zoeken. Groepen meisjes in avondjurken, jongens in pak en mooi geklede volwassenen stromen allemaal dezelfde kant op. Eenmaal in de hal is het vinden van Jos al evenmin een probleem, bijkomend voordeel van het feit dat Nederlanders gemiddeld nu eenmaal langer –en blonder– zijn dan Oostenrijkers. Strak in het pak staat hij daar op z’n gemak met medestudenten te converseren, een glas water in de hand, Tabea –prachtig in het lang– blij aan zijn zijde. Een beetje ongemakkelijk druk ik de rozen die ik voor hem heb meegenomen tegen me aan. Onzeker kijk ik om me heen, vanwege dé vraag die de vreemdeling in het vreemde land toch altijd een beetje blijft achtervolgen: doen ze dit of dat hier wel? En: hóé doen ze het hier dan wel? Tot mijn opluchting ontdek ik meer moeders met boeketten. We zoeken een plekje in de grote zaal. De bloemen belanden onder mijn stoel. De jassen gaan gauw uit, want de kachel stoken ze hier in Oostenrijk een stuk fanatieker dan wij gewend zijn. Altijd en overal is het binnen tropisch. Wanneer de studenten in optocht tussen de rijen door marcheren, worden ze met een staande ovatie ontvangen. Een dikke professor nodigt hen een voor een op het podium uit om hen te introduceren, iets over hun eindscriptie te vertellen en hun diploma te overhandigen. Daartussendoor hamert de welbespraakte prof onder meer op het belang van taal en het zorgvuldig gebruik daarvan. Maar zodra de naam Gijsbert Johannes Wilbrink op de beamer verschijnt, hapert zijn vloeiende betoog plotseling. „En dan nu, dames en heren...” Hij valt stil. „Eh... Dit is een uitdaging voor mij. Ik weet niet of ik dit goed uitspreek... En dan nu: Kiesburt Johannis Wielbrienk!” Terwijl er opnieuw luid geapplaudisseerd wordt, hoor ik Heidy naast me gniffelen. „Haha, Kiesburt”, fluistert ze. Omdat men er hier in Oostenrijk van uitgaat dat je eerste doopnaam ook je roepnaam is, moet de arme professor nog enkele keren z’n tong breken over de naam Gijsbert. Telkens klinkt zijn volumineuze stem dan opeens even wat zwakjes en dept hij met een zakdoek zijn rode gezicht, voordat hij verdergaat met zijn toelichting op het thema van Jos’ scriptie: ”Gesellschaft der Ambiguitäten” (maatschappij der tegenstijdigheden). En kijk, met die ”Ambiguitäten” zouden wij nu ons weer geen raad weten. Dus ons maakt zijn gehakkel helemaal niet uit. We kennen dat gevoel van ”hoe doen ze dat” tenslotte maar al te goed, ook als het om het uitspreken van namen en woorden gaat. Bovendien overheersen vanavond de dankbaarheid en de verwondering. En als Maarten en ik elkaar met glimmende ogen aankijken, weet ik dat we hetzelfde denken: wie had dit ooit gedacht toen onze Jos twee decennia terug ergens op de verre Veluwe in zijn wiegje lag.