Een vriendin van mij was juist totaal anders. Nooit verliefd, nooit bezig met daten, nooit dat dromerige gedoe. Ze kende het niet; de flirtende blikken, het lachen; zo’n spontane chemie die er ineens kan zijn; zoals verliefdheid klinkt in jeugdromans. Tot die ene avond, bij het station. Ze zei zachtjes: „Ik weet het… dit is verliefdheid.” Ik vond het bijna bijzonderder dan wanneer het mijzelf overkwam. Mijn eigen eerste date had ik toen al achter de rug. Ik was vijftien, een paar maanden voor mijn zestiende. Hij was tweeëntwintig, dat voelde toen ongeveer hoogbejaard. Hij had me in de kerk gezien en via via mijn nummer gevraagd. We belden regelmatig. Hij zei dat mijn stem klonk als een duifje. Ik krijg nog steeds de kriebels als ik eraan denk. >We hadden al een hele wandeling achter de rug, met onze jassen tot bovenaan dichtgeritst vanwege de kou De date zelf was één grote misser. We hadden al een hele wandeling achter de rug, met onze jassen tot bovenaan dichtgeritst vanwege de kou. Onderweg kwamen we langs een naakte man op het strand. Hij lag daar gewoon. Naakt. Op de terugweg bleef hij maar over dat hele tafereel praten. Blijkbaar hadden we zó weinig gespreksstof. Daarna zaten we nog samen in een tentje met een drankje. Anderhalf uur later vroeg ik hoe laat het was, om er meteen achteraan uit te flappen: „De tijd gaat ook niet snel.” Werkelijk, wie zegt dat op een date? Ik blijkbaar… Ik kwam thuis, half lachend, half huilend van de spanning. Dit nóóit meer. Een half jaar later hoorde ik dat hij met zijn vriendin een kind verwachtte. Ik heb de Heere meer dan eens gedankt dat ik niet zijn meisje was geworden.