In Dekapolis (‘tien steden’) ligt het plaatsje Gardara, aan de oever van het Meer van Galilea. Een smal bergpad wijst de weg naar boven, met aan weerskanten graven. De Heere Jezus en Zijn discipelen klimmen ze omhoog. Dan ineens... Vanuit een graf stormt een verwilderde man naar buiten. Hij ziet er beschadigd uit. Wie is dat? Dan gebiedt de Meester: „Gij onreine geest, ga uit van den mens.” M. Henry merkt op: „Hij maakte de man verlangend naar verlossing, toen Hij hem in staat stelde toe te lopen en Hem te aanbidden, heeft Hij Zijn macht aangewend om hem te verlossen.” De angst van de duivel voor Christus is zo vertroostend. Hij weet dat Christus alle macht heeft in de hemel en op de aarde. Angstig zijn prooi vasthoudend, maakt hij gebruik van de tong van de man: „Wat heb ik met u te doen, Jezus, Gij zone Gods, des Allerhoogsten? Ik bid u dat Gij mij niet pijnigt.” Eigenlijk zegt hij: „Ik wil niets met U te maken hebben!” Toch is hij bang voor de Grote Koning. „Heere, straf, pijnig mij nu niet!” De Heere vraagt zijn naam. Waarom? M. Henry: „Zodat de mensen getroffen zouden worden door het aantal duivelen.” „Legio”, antwoordt de geest. „We zijn met een legioen aan duivelen.” Dan vragen ze toestemming aan de Heere om in de zwijnen te mogen. De duivel moet dus altijd toestemming vragen aan de Heere. Laat dat een troost zijn in moeilijke wegen. De Heere laat het toe. Kijk nog eens naar de man voor Hem? Daar zit hij, met tranen in zijn ogen. Hij bidt: „Heere mag ik bij U zijn?” Maar dat gebed verhoort Hij niet. Nee, Hij heeft werk voor hem. Hij moet naar zijn familie terug. Wellicht naar zijn gezin, zijn ouders en andere familieleden. „Ga heen naar uw huis, en tot de uwen, en boodschapt wat grote dingen de Heere u gedaan heeft, en hoe Hij zich over u ontfermd heeft.” ## Vragen 1. Ouders, welke troost geeft deze geschiedenis u, als u kinderen niet meer kunt bereiken? 2. Jongens en meisjes, waarom wilde de duivelen in de zwijnen ‘varen’? 3. Praktische opdracht: Er worden in dit hoofdstuk verschillende gebeden gedaan. Door wie? En welke worden verhoord? Welke niet? 4. Voor de kleintjes in het gezin: Wat gebeurt er met al die zwijnen? _J. Kriekaard, godsdienstdocent_