Een ietwat slaperig dorpje aan de rand van Flevoland, vlak bij het Friese Lemmer, is waar hij het levenslicht ziet. Op de boerderij van zijn ouders ontdekt Ewart Bosma al jong zijn liefde voor historie. Als kind verslijt hij het ene na het andere geschiedenisboek en gaat hij met plezier naar musea. Heel vreemd is het dus niet dat hij ervoor kiest om in Groningen geschiedenis en internationale betrekkingen te gaan studeren. Nog tijdens zijn studie wordt hij docent. „Halverwege werd de studie intern omgegooid. Daardoor had ik ineens wat tijd over. Ik had al tig extra vakken, dus die kon ik er niet meer bij nemen. Toen dacht ik: ik ga geld verdienen. Ik nam een baan in Arnhem, op een mavo waar een docent Duits nodig was. De school was een ontzettend eind rijden vanuit Groningen, maar het voordeel is dat je in de trein veel kunt doen. Zo stond ik ineens twee dagen per week voor de klas.” Zijn liefde voor doceren overvalt hem een beetje. „Ik had dit beroep nooit eerder overwogen. Als kind wilde ik eigenlijk veearts worden, maar ik ben slecht in exacte vakken en ook nog eens heel erg kleurenblind. Dat werkt niet als je een beest moet opereren.” Tijdens zijn opleiding overweegt hij serieus om diplomaat te worden. „Ik ben goed in talen en dan is de internationale politiek aanlokkelijk. Maar dat liep anders. Ik heb kort stage gelopen in Brussel en toen ontdekte ik dat ik die wereld helemaal niets vond.” ## Waarom niet? „Het is allemaal interessantdoenerij; een wereld die totaal van God los is, met feestjes waar je als christen niet bij kunt zijn. Ik dacht: wat doet deze gereformeerde jongen hier? Ik was geen slechte student, dus misschien was ik wel uitgekozen voor het diplomatenklasje. Mijn professoren stimuleerden mij om die kant op te gaan. Maar het paste echt niet bij mij. Als diplomaat moet je om de zo veel jaar naar een ander land. Ben je in je eentje, dan is dat misschien wel leuk. Al kun je je afvragen wat al dat verhuizen doet met je geestelijke leven en of je dat moet willen.” :::photo_gallery 1::: ## Dus het werd lesgeven. Wat trok u daaraan? „Ik vond het contact met de leerlingen gelijk heel leuk. Ik was nog maar 21, maar het voor de klas staan ging goed. Ik had er ook plezier in. Op een gegeven moment ontwikkel je dan een soort roepingsbesef: misschien is dit de plek waar de Heere me hebben wil. Veearts kon ik niet worden, diplomaat wilde ik niet meer worden en docent heb ik nooit willen worden, maar was wel het beroep waar ik wezen moest.” ## Inmiddels bent u al bijna 25 jaar docent, waarvan het merendeel op het Van Lodenstein College in Amersfoort. Wat geeft u voldoening? „In de eerste plaats het overdragen van mijn expertise en kennis als docent. Maar het zou arm zijn als dat het enige was. Ik probeer wat te betekenen voor de jonge mensen. Bijvoorbeeld door te laten zien hoe je in het leven staat, hoe je geloof en wetenschap met elkaar kunt verbinden en hoe je als christen naar de samenleving kijkt. Natuurlijk vinden leerlingen sommige dingen die ik doceer niet relevant. Maar ik probeer te laten zien dat die relevantie er wel degelijk is. Zo zaag ik hen door over Groen van Prinsterer, alleen al omdat ik vind dat leerlingen die op een reformatorische school hebben gezeten, hem moeten kennen. Kijk, als je als docent alleen maar stof aanbiedt waar leerlingen aan toe zijn, kom je nergens. Je moet de ruif wat hoger hangen, dat is een vorm van opleiden en opvoeden.” ## Het is vast ook weleens lastig werk. „Zeker. Je bent als docent heel kwetsbaar. Je laat voor de klas aan de leerlingen zien wat je irriteert, wat je interessant en belangrijk vindt en hoe je functioneert. Normaal ziet alleen je gezin dat van je. Nu zijn er twintig tot dertig pubers per uur die je als toeschouwer hebt, soms zeven uur op een dag. En dan moet je ook nog een identificatiefiguur zijn, terwijl je heus weleens uit je slof schiet. Het kost wat, doceren. Je moet alert zijn en ad rem presenteren, dat is heel intensief. Gebeurt er iets, dan neem je soms in een ”split second” een beslissing, terwijl je eigenlijk langer had willen nadenken. Zo nu en dan moet je ook iets terug durven draaien en sorry zeggen. Daar heb ik geen moeite mee: ik vind het krachtig als je ook aan jonge mensen je excuses durft aan te bieden.” ## U bent vrijgemaakt opgegroeid, maar zit nu volledig in de reformatorische wereld. Hoe komt dat zo? „Die stap is heel geleidelijk gegaan. Toen ik in Groningen studeerde, ging ik al best vaak naar de gereformeerde gemeente. De vrijgemaakte kerk in die stad was voor mijn gevoel heel modern. In de vrijgemaakte kerk werd vastgehouden aan de Drie formulieren van enigheid, maar de Dordtse Leerregels functioneerden daar anders. Zo was bekering er vooral iets wat te maken had met levensheiliging. Dat er eerst een levendmaking aan vooraf moest gaan, hoorden we nauwelijks van de preekstoel. Er zijn natuurlijk ook vrijgemaakten die heel dicht bij de Heere leven, maar over het algemeen is de leer verstandelijker. Heel voorwerpelijk en weinig onderwerpelijk. Door Gods genade heb ik in mijn zoektocht naar een kerk nooit getwijfeld aan Gods Woord. Wel aan mezelf, en aan mijn eigen staat. Ik merkte bij andere kerken dat die vraag ook gesteld mocht worden. Zo kwam ik dus bij de gereformeerde gemeente uit.” ## Uw vrouw stond daar hetzelfde in? „Mijn vrouw was christelijk gereformeerd toen ik haar leerde kennen. Samen besloten we in Rijssen te gaan wonen en naar de Noorderkerk te gaan, de gereformeerde gemeente.” ## Hoe heeft u haar ontmoet? „Dat is een raar verhaal. Ik ging met een vriend mee naar een conferentie voor theologiestudenten. Toen ik Chantal, mijn vrouw, de zaal binnen zag komen, dacht ik: zij is het. Haar ervaring was precies hetzelfde. Heel bizar. Bij onze kennismaking bleek dat ze mijn grootouders al eens had ontmoet, zowel van vaders- als van moederskant. Haar vader heeft mij ooit in vwo 6 een beroepentest afgenomen. Heel grappig, dan denk je niets met elkaar te maken te hebben, en dan krijg je dit.” ## Waarom zijn jullie in Rijssen neergestreken? „Mijn vrouw en ik hadden daar al familie wonen. Het leek ons een goede plek om te beginnen. En ik heb me er altijd als een vis in het water gevoeld. Ik spreek geen Rijssens, maar kan het prima verstaan en lezen. En dat Rijssense gemoedelijke, waarin je elkaar af en toe op een liefdevolle manier lichtjes bespot, vind ik mooi. Zo steek ik zelf ook een beetje in elkaar. We voelen ons aardig ingeburgerd. Onlangs moesten we voor een groep Oekraïense en Wit-Russische vluchtelingen onderkomens zien te vinden. Dan is Rijssen de beste plek op aarde om te wonen. Van alle kanten werd er hulp, geld en voedsel aangeboden. Mensen zijn hier heel gastvrij.” ## Behalve docent bent u ook directeur van de Cursus godsdienstonderwijs (CGO) en betrokken bij de Rijssense SGP. U zit niet graag stil? „Ik word een heel chagrijnige docent als ik hier vijf dagen per week rondloop en verder niets anders om handen heb. Dan gaat voor mij de uitdaging weg, omdat je voor de tigste keer het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog staat uit te leggen. Daarom werk ik vier dagen als docent en anderhalve dag voor de CGO. Vergaderingen voor de SGP en andere bestuursvergaderingen doe ik zo veel mogelijk in de avond. Objectief heb ik het daardoor drukker dan wanneer ik alleen docent ben, maar toch ervaar ik door al die nevenactiviteiten meer rust in mijn hoofd.” ## Hoe bent u directeur van de CGO geworden? „Ik had die vacature langs zien komen, maar was ervan overtuigd dat ik er niet geschikt voor was. Ik had geen managementervaring. Dus solliciteerde ik niet. Maar toen de vacature na verloop van tijd weer in de krant stond, zei mijn vrouw: Ik zou het toch maar proberen. Het leuke is, dat ik nu beide functies niet meer zou willen missen en beide niet fulltime zou willen doen. Op school val ik onder leidinggevenden, wat mij nederig houdt. Bij de CGO moet ik zelf de koers bepalen en uitzetten.” ## En de SGP? „Ik ben raadslid van de gemeente Rijssen-Holten. Doordat ik altijd met de trein naar school reis, kan ik gemeenteraadsstukken mooi onderweg lezen. De trein is een soort rijdend kantoor voor mij. Ik vind het gemeenteraadswerk erg leuk om te doen. Ik merk dat ik de vaardigheden heb om een effectief raadslid te zijn. Ook ga ik voor de partij regelmatig naar het buitenland, bijvoorbeeld Polen of Oekraïne. Zo ben ik net naar een conferentie geweest in Warschau en Białystok. Soms lukt het mij niet om alles langs elkaar heen te plannen en heb ik dubbele afspraken. Dat is aan de ene kant heel vervelend. Aan de andere kant houdt het je nuchter. Als je in veel organisaties zit, kun je een soort onmisbaarheidssyndroom krijgen. Maar het is goed om je plek te kennen.” ## Hoe combineert u dat alles met uw gezin? „Chantal en ik hebben zeven kinderen tussen de 21 en 10 jaar oud. Het voordeel van mijn werk in het onderwijs is dat ik vaak in de vakanties thuis ben. Ook op donderdag werk ik vaak thuis. Mijn vrouw vindt het prima dat ik veel werk, ze heeft zelf ook van alles en nog wat op haar bordje. Ik verlies het overzicht over al die werkzaamheden niet gauw. Ik werk heel ordelijk.” Lachend: „Volgens mijn kinderen scoor ik hoog in het autistisch spectrum. Daarbij heb ik niet veel slaap nodig. Ik vind het heerlijk om ’s morgens, als iedereen nog op bed ligt, even in een leeg huis te zitten. Dan kan ik mooi de dagopening voor school voorbereiden.” ## Stel dat u moet kiezen tussen een van uw functies. Welke zou dat dan worden? „Ik vind juist de combinatie van alles leuk. En elke functie heeft wel minder leuke dingen. Lesgeven is ook niet altijd een feestje. Al dat nakijken word je soms spuugzat.” Wijzend naar zijn bureau: „Kijk, hier ligt nog een stapeltje toetsen op me te wachten.” ## En als u gevraagd zou worden voor een functie in Den Haag? „Als ik al in Den Haag zou willen acteren, dan in de Eerste Kamer en niet in de Tweede. Ik vind dat Chris Stoffer het prima doet, maar ik ben blij dat ik daar niet hoef te staan. Ik zit graag aan de knoppen en vind het leuk om me ergens tegenaan te bemoeien, maar ik hoef niet zo nodig vooraan te staan. Gelukkig sta ik wat de landelijke SGP betreft op een schier onverkiesbare plek. Stuur mij maar voor de SGP naar het buitenland, om contact te hebben met zusterpartijen. Dat vind ik veel leuker en heel verrijkend. Van de politici daar kunnen we zo veel leren.”