Het deed het ongemak smelten. Want een eerste ontmoeting voelt zo stuntelig zonder handdruk. Althans: dat vind ik. Dan knik je wat en je noemt op afstand je naam (of niet) en je glimlacht en knikt weer. Eén keer maakte ik zelfs een koninklijke buiging, je weet wel. Dat je even je knieën soepel knikt, terwijl je je rok iets optilt. Dat deed ik nu niet. Nu knikte ik. Mijn kin raakte Fiekes haartjes in de draagzak. Hij noemde zijn naam, die ik niet verstond vanwege megamondkap. Ik kriebelde Fiekes voetje. Fieke lachte. Toen ik ging zitten op de stoel, merkte ik het weer. Mijn mondkap had te grote elastiekjes. Of mijn hoofd was te klein. Dat laatste denk ik eigenlijk. Want ik heb best een klein hoofd, wat overigens niks schijnt te zeggen over je verstandelijke vermogens. Ik zit hier in het hol van de leeuw met mijn te slappe mondkap, dacht ik opeens. Die man tegenover mij is een halve mondkapspecialist, als arts. En mijn mondkap zakte heel langzaam steeds iets af. Het mondkapje aanraken durfde ik al helemaal niet. Ik blies iets naar boven, in de hoop dat de mondkap zich zou stabiliseren. Bewoog mijn kin richting mijn neus. Het lukte iets. Fieke blikte naar boven. Ze lachte. Nadat arts Mondkap Fieke had onderzocht, deelde hij zijn bevindingen. Vanaf zijn bureaustoel. Hij tegenover mij. Hij sprak, ik luisterde. Hij sprak lang. Hij zei veel. Ik herinner me maar drie dingen: 1. Dat het plastic van zijn mondkap bewoog tijdens het in- en uitademen, als de borst van een roofvogel, klaar voor de jacht. 2. Dat er een breed genetisch onderzoek aanbevolen werd, omdat ‘er een foutje in Fieke zat’. 3. Dat ik onderwijl steeds met mijn schouder mijn mondkapje op zijn plek probeerde te houden. Nu is het zo dat een mens het wat dubieuze vermogen heeft om zich uiterlijk anders te gedragen dan van binnen beleefd wordt. Uiterlijk lachen, innerlijk huilen. Ik noem maar wat. Dat vermogen om uiterlijk en innerlijk niet synchroon te laten verlopen paste ik ook toe toen arts Mondkap uitgepraat was. Ik knikte. Ik stelde vragen. Ik geloof zelfs dat ik glimlachte. Ik probeerde het moment vast te houden. Er op in te zoomen. Dit is mijn kans om vragen te stellen, wist ik. Straks gaat hij weg. Straks hangt hij zijn doktersjas op. Straks rijdt hij naar huis en eet hij lasagne met vrouw en kinderen. Straks is hij mij vergeten. Dus ik stelde vragen. Zakelijk. Nuchter. Maar van binnen was ik allang bevroren. Zijn antwoorden ketsten af op de innerlijke ijslaag. Foutje in Fieke – Foutje in Fieke – Foutje in Fieke, klopte mijn hart. Wie heeft er precies een foutje gemaakt?, wilde ik vragen. Maar ik durfde het niet. Ik liet mijn buitenkant zijn werk doen. Mijn buitenkant knikte. En stelde vragen. En glimlachte. Mijn buitenkant duwde met de schouder de mondkap weer terug op zijn plek. Mijn buitenkant aaide Fiekes rugje. Ze lachte. Toen ik niet veel later in de auto stapte, trok ik ruw het mondkapje van mijn gezicht. Mijn buitenkant voelde zich bevrijd. Mijn innerlijk was donker, mijn knokkels op het stuur wit. De slagboomsessie ging goed. Foutje in Fieke – Foutje in Fieke – Foutje in Fieke, tikte de richtingaanwijzer. Matthey Henry schrijft: bij het bidden zonder woorden zijn gedachten woorden. En zo reed ik met een auto vol gedachten het parkeerterrein af. Iemand vertelde me: in een blog horen gevoelens thuis. Je moet vertellen wat het met je doet. Je innerlijk blootleggen. Je gemoed delen. Maar ik ga het niet expliciet schrijven. Want ik wil het niet opschrijven. Ik kan het niet opschrijven. Ik ga het laten staan zoals ik het schreef. En misschien is dat helemaal niet erg. Want weet je? Ik geloof in de kracht van woorden. Ook van woorden die er niet staan. Ook woorden die je zelf moet tussenvoegen. Als lezer. Tussen de zinnen door. Ik vraag je dus door mijn buitenkant heen te prikken. Het innerlijk via de letters te lezen. Ik vraag je te lezen wat er niet staat. In de auto dacht ik: zal een baby ook een binnenkant en een buitenkant hebben? Kan een baby ook anders doen dan denken? Anders gedragen dan voelen? Huilen en toch lachen? Lachen en toch huilen? Ik dacht het niet. Ik denk het niet. Een kind is één. Puur. Zonder sociale laag. Voor het verkeerslicht kneep ik even in Fiekes voetje. Heel even maar. En ze lachte. beeld: Renate Bleijenberg