In tegenstelling tot het avondmaalsservies wordt bij de bediening van het avondmaal deze niet ontdekt. Na de nodiging tot de dis te komen stopt de avondmaalganger zijn of haar hand onder het laken en trekt die terug, nadat hij een gift gaf voor een diaconaal doel. De linkerhand behoort toch niet weten wat de rechterhand doet. Wanneer er gerinkel in plaats van geritsel klinkt, verraadt men zich toch wel een beetje. Eerlijk gezegd heb ik dit gebruik in de gemeenten die ik diende niet meegemaakt. Of het was reeds in onbruik geraakt of ik schafte het na overleg af. Ik heb me er sedert mijn eerste avondmaalgang als jong volwassene reeds aan gestoord. Het was voor mij een moeilijkheid om aan de dis des Heeren –waar men opgeroepen wordt het hart tot God te verheffen– te moeten denken aan wat mijn hand zou moeten vinden om te doen. Het gaat toch om een geestelijke ontmoeting met de Koning der Kerk. Juist aan de dis moet Zijn offer volledig centraal staan. Ik dien dan toch niet aan mijn eigen offertje te denken waarvan Isaac Watts zong: „Te klein is ’t offer dat ik bood, al waar al ’t goed der aard mijn deel.” Moet er dan in het geheel niet gecollecteerd worden? Dat beweer ik niet. In de eerste gemeenten legde een ieder op de eerste dag van de week iets weg voor de nooddruftigen naar hij welvaren had ontvangen (1 Kor.16:2). Zoiets kan op de gebruikelijke wijze wanneer de collecte van de hele gemeente wordt ingezameld. Dan staat de collecte voor de godvruchtige avondmaalganger ook meer in het teken van de dankbaarheid. De bediening van het Heilig Avondmaal zoals wij dat kennen, was in de Vroege Kerk heel anders. Deze was gekoppeld aan een liefdemaaltijd. We kunnen dat lezen in 1 Korinthe 10 en 11. Tussen de regels door blijkt dat de welgestelde christenen spijs en drank meenamen, opdat de armen mee zouden eten. Dag gold niet specifiek het Heilig Avondmaal. Wanneer dat wel zo zou zijn, dan zou de collecte dienen te zijn om de onkosten van brood en wijn aan de avondmaalstafel te bestrijden. In de rooms-katholieke traditie kent men van ouds het offertorium. Dat is het moment waarop de misdienaar brood en wijn aan de priester overhandigt. Offertorium komt namelijk van het latijnse ”offerre” dat aanbieden betekent. Onderwijl gaat de collecteschaal de rijen van de kerkgangers door. Treffend heeft ds. W.T. van Voorst het verschil tussen de mis en het Heilig Avondmaal onder woorden gebracht in het boekje ”Heidelberg en Rome”, hoewel hij uiteindelijk concludeert dat er geen bezwaar behoeft te zijn tegen de rooms-katholieke leer: „Het is duidelijk dat de Heilige Mis wel en het Heilig Avondmaal geen offer is. Dat is te merken in de liturgie. In het Heilig Avondmaal naderen we als gasten tot de tafel, niet om iets te geven; alleen om te ontvangen. Wij onzerzijds hebben niets aan te bieden. „We liggen midden in de dood.” We zijn vol gebreken en ellendigheid. Alleen God heeft ons hier wat te bieden (...) we offeren niet, we gedenken het enige Offer. Daarentegen heeft de liturgie van de Heilige Mis inderdaad het karakter van een offer. Hier naderen mensen tot God en bieden zichzelf aan. Dat begint al wanneer de gaven van brood en wijn worden aangedragen.” Dit alles overdenkende pleit ik voor het afschaffen van de avonmaalscollecte. Overigens wel met de paulinische toevoeging: „Doch indien iemand schijnt twistgierig te zijn, wij hebben zulke gewoonten niet…”