Terwijl ik er onder meer op wees dat je met het antwoord een aantal heldere criteria hebt om te beoordelen of iets goed of verkeerd is, staarde een van de catechisanten nadenkend voor zich uit. Langzaam ging haar vinger omhoog. „Dominee, hoe moet je nu het bekijken van een film beoordelen die een christelijke boodschap bevat? Is dat verantwoorde vrijetijdsbesteding?” De voorafgaande vraag gaat over de bekering van de mens. En dan wordt de dagelijkse bekering in het stuk der dankbaarheid bedoeld. Dat is een zaak uit het leven van Gods kinderen. Zij die mogen weten hoe groot hun zonden en ellenden zijn, maar ook hoe zij daarvan door de genade Gods zijn verlost. In hun leven komt een haat tegen de zonden openbaar, die samengaat met een vlieden van de zonden. Maar ook krijgen ze een verlangen om de Heere te dienen en goede werken te doen. Antwoord 69 gaat dan in op de vraag wat die goede werken zijn. Die vraag komt dus voort uit het verlangen om uit wederliefde de Heere te eren met een godzalig leven. Het kader waarin Antwoord 69 staat, moet goed tot ons doordringen. Uit welk hart komt de vraag: „Mag ik een film met een christelijke strekking bekijken?” Als deze vraag voortkomt uit een nauw geweten, dat probeert in eigen kracht netjes te leven voor God, dan beginnen we aan de verkeerde kant. Wij kunnen als natuurlijk mens nooit iets doen waar God behagen in heeft. Misschien word je nu van binnen boos op mij. Dat kan ik goed begrijpen. Zelf heb ik ook een periode gekend dat ik met zulke vragen rondliep: wat mag wel en wat mag niet? Aan een kind van God vroeg ik eens of een stereo-installatie wel verantwoord was. Hij keek me ernstig aan en zei: „Ben je met de Heere verzoend, anders is het pleisteren met loze kalk.” Diep van binnen was ik beledigd, want ik voelde me met die vraag zo ernstig en vroom. Maar hij liet me eerlijk zien wie ik was: een vrome jongeling. Laat dit daarom de eerste vraag worden: „Mijn ziel, doorziet gij uw lot? Hoe zult gij rechtvaardig verschijnen voor God.” :::author_streamer 1::: Wanneer we door genade daarop een antwoord mogen weten, gaan ook de vragen rond de levensheiliging echt belangrijk worden. Er is geen heiliging mogelijk zonder rechtvaardiging. In Antwoord 69 wordt immers van goede werken gezegd dat ze in de eerste plaats gedaan worden uit een waar geloof. Heb ik mij geheel leren toevertrouwen aan het offer van Christus en leeft Hij nu in mij? Komt wat ik doe voort uit liefde tot Hem? Wat we niet uit het geloof doen, is en blijft zonde! Het tweede aspect wijst ons op de wet van de Heere, als een onfeilbaar richtsnoer. Wat hebben we in de Catechismus dan toch een heldere uitlegger van die wet. Vraag jezelf ten slotte steeds af: Verlang ik ernaar Gods eer te bedoelen? Mag je op deze vragen voor Gods aangezicht „ja” zeggen, dan geeft dat vrede en een bevrijd geweten. Dan ben je geen slaaf van wat kerkelijke mensen voor ideeën hebben over wat wel en niet geoorloofd is. Laat Paulus’ onderwijs je richtsnoer zijn: „Een ieder zij in zijn gemoed ten volle verzekerd.” De kanttekening hierbij luidt (in mijn eigen woorden): „Je bent verzekerd dat je niet zondigt en je niet het voornemen hebt om God te vertoornen en willens en wetens iets te doen tegen Zijn wil.” Dan ben je God gehoorzamer dan de mensen. Zo’n leven dicht bij Hem wens ik je van harte toe: „Leer mij naar Uw wil te hand’len, ’k zal dan in Uw waarheid wand’len. Neig mijn hart en voeg het saam, tot de vrees van Uwen Naam."