Wat beschamend, niet waar? Een heidense hoofdman wordt hier door de Heere Jezus tot een voorbeeld gesteld tegenover het Bondsvolk Israël, inclusief de discipelen. Inclusief Gods kinderen. „Zelfs in Israël zo groot een geloof niet gevonden, zegt de Heere Jezus. En als Christus zulk geloof niet vindt, kunnen we er zeker van zijn dat het er ook niet is. En wat aangrijpend dat de Heere er tegelijk aan toevoegt dat er velen zullen komen van oosten en westen en met Abraham en Izak en Jacob zullen aanzitten in het koninkrijk der hemelen, en dat de kinderen des koninkrijks zullen uitgeworpen worden in de buitenste duisternis. Wat een bemoediging voor al diegenen die de naaste in aanraking mogen brengen met Gods Woord. Velen! Nee, de HEERE is niet karig. Velen, zo spreekt Christus. Velen die niet bij het bondsvolk behoorden, zullen aanzitten, onder wie de Romeinse hoofdman van Kapernaüm. En vele anderen die evenmin op het erf van het genadeverbond werden geboren, maar door zending of evangelisatiewerk, of op welke wijze dan ook, in aanraking kwamen met het levend makende Woord Gods, gepaard met Gods Geest! Misschien heeft de Allerhoogste daar uw en mijn zaaien van het Woord wel voor willen gebruiken als middel, om hen toe te brengen. Dat zou toch groot zijn. Maar droeve tegenstelling anderzijds: Israëlieten, „kinderen des koninkrijks genoemd. Naar onze tijd vertaald: kerkmensen, gedoopt, opgegroeid bij de waarheid, op de erve van het Verbond geleefd, onder s HEEREN inzettingen verkeerd, belijdenis afgelegd wellicht, mogelijk zich wel trouw ingezet voor de naaste en het noodzakelijke evangelisatiewerk. Toch buitengeworpen. Lezer, hoe noodzakelijk is het om onszelf bij alle inzet en werk en vlijt, hoe belangrijk en onmisbaar ook, toch te onderzoeken: mogen we zelf ook dat waar zaligmakend geloof deelachtig zijn? Waar bestaat dat dan uit, zult u zeggen? Wel, we stippen het slechts even aan uit deze geschiedenis. En toetsen we ons toch aan Gods woord. Mogelijk dat de hoofdman zelf het niet eens geloof genoemd zou hebben. Maar Christus noemt het geloof. Gróót geloof zelfs. Deze hoofdman had door genade Gods volk lief gekregen. Wij ook? En Gods inzettingen. Wij ook? Vervolgens was deze man bewogen met het lot van zijn naaste. Zijn knecht. Een slaaf, voor slechts 15 euro (overgezet in onze geldwaarde!) zou hij een andere hebben kunnen kopen. Maar deze hoofdman had geleerd de onuitsprekelijke waarde van een ziel en wat het is om te sterven en God te ontmoeten. Maar het voornaamste was wel: Van Jezus gehoord hebbende, vluchtte hij tot Hem. Mochten wij die gang door de trekkende liefde des Geestes ook reeds leren maken? En hij mocht toch zien dat Christus een Gezondene was. En dat Christus de wil moest doen van Hem, Die Hem zond. Wat een licht en een geloof en dan in een Romeinse hoofdman. Soevereine Genade. Welbehagen. En dan die onwaarde. Totale onwaarde. Maar toch als een onwaardige en rechteloze aan één Woord genoeg te hebben. Want zonder dat Woord, en zonder dat vertrouwen op dat Woord was hij niet gered. Onvoorwaardelijk als een alles verzondigde zich toch aan dat Woord toe te betrouwen. En het blijft nog staag mijn zucht om op Uw Woord mijn vaste hoop te zetten. En hij is niet beschaamd. Kreeg veel meer woorden dan hij verdiend en verwacht had. Met de HEERE komen we nooit beschaamd uit. En op Golgotha? Gij antwoordt niet... schoon ik des nachts moog kermen. De Borg geen antwoord! Opdat Hij armen uit gena Zijn hulpe ter verlossing tonen zou... Lezer, mogen wij daar ook kennis aan hebben?