Als man met een bewogen hart stichtte hij Asyl Steenbeek (van het Latijnse ”asylum”: schuilplaats), een tehuis voor ”gevallen vrouwen”, zoals destijds prostituees werden aangeduid. Daarnaast heeft hij een hele rij andere liefdadigheidsprojecten opgezet. Zijn werkkracht was onvoorstelbaar. De afgelopen weken heb ik zitten lezen in zijn brieven en de Christelijke Stemmen, het blad waarin hij verslag deed van zijn werk. Ik geef een paar lessen door. Allereerst: Heldring was geen man van de theorie, maar van de praktijk. Toen hij langzamerhand een bekendheid werd, schreef hij: „Zo ik eenigen naam heb of verdien, het is die van een eenvoudig, praktisch man.” En zo gedroeg hij zich ook. Het was de tijd van de deftige dominee in de studeerkamer, met hoog boord en hoge hoed. Maar Heldring zat bij de mensen, liep op klompen, een pet op zijn wilde haardos gedrukt. Maar meer nog treft zijn ootmoed. Door zijn werk ging hij om met vrouwen die in de meest afschuwelijke zonden hadden geleefd. Maar nooit kon hij boven hen staan. In een brief aan Groen schreef hij: „In mij heb ik niets dan zonde, in Christus alleen alle gerechtigheid.” Toen hij een koninklijke onderscheiding kreeg, zei hij dat voor hem de hoogste onderscheiding dezelfde was als die van Zacheüs: dat Christus in zijn leven was gekomen. :::author_streamer 1::: In 1847 werd Asyl Steenbeek opgericht. Schokkend is het om te lezen wat ds. Heldring schrijft in een terugblik na tien jaar: „Van de 250 meisjes door ons in Steenbeek opgenomen, waren er 107 minderjarig. Van deze wederom een groot aantal beneden de achttien. Is het geoorloofd de huizen der ontucht bevolkt te zien met scharen van minderjarige kinderen?” Dat was voor hem geen vraag. Hij maakte er zijn levenswerk van. Scherp zag hij dat het verschil tussen de bewoonsters van Steenbeek en nette christenen ten diepste niet zo groot was als het leek: „Ach! het Asyl is immers niets anders dan de gewone wereld. En dan wel de wereld, zoals die misschien nog het meest nabij het Koninkrijk der hemelen staat. Gansch melaatsch! is immers volgens de Heilige Schrift het meest nabij: gansch rein.” Want: niet die gezond zijn, maar die ziek zijn, weten dat zij een Medicijnmeester nodig hebben. Uitgerekend tollenaars en hoeren gaan ons voor in het Koninkrijk Gods. Heldring besloot zijn terugblik: „Het is al den arbeid, de moeite en kosten dubbel waard; want in de eeuwigheid zal het eene groote heerlijkheid zijn, deze verlorenen te aanschouwen, in sneeuwwitte kleederen gekleed, onder de zaligen het lied der overwinning zingende.” Dat was het geheim van Heldrings taai volharden: het rotsvaste geloof dat het bloed van Jezus Christus reinigt van alle zonden. Ik ben van die man gaan houden.