Mijn geliefde broeder had er weinig ruchtbaarheid aan gegeven, maar dat verhinderde ons niet om hem die zondag erna in onze Julianakerk op te dragen in het ”grote gebed”. Want jubileren is niet iets van jezelf op de borst slaan, maar de Heere erkennen voor hetgeen je hebt ontvangen en voor hetgeen je – in dit geval als dienaar van het Goddelijke Woord – mocht doen in Zijn wijngaard. Dan is het gepast om woorden van dank aan de grote Meester op te zenden. Veertig jaar in het ambt staan is een bijzondere mijlpaal. Dat geldt ook 12,5 jaar, 25 jaar, 50 jaar. Over dat laatste staat zelfs een bijzonder voorschrift in de Bijbel. Het vijftigste jaar was in Israël het zogenoemde jubeljaar – annus jubileus – het jaar van de kwijtschelding. „En gij zult dat vijftigste jaar heiligen en vrijheid uitroepen in het land voor al zijn inwoners; het zal u een jubeljaar zijn, en gij zult wederkeren eenieder tot zijn bezitting en zult wederkeren eenieder tot zijn geslacht” (Lev. 25:10). Had iemand vanwege geldgebrek een akker verkocht, dan kreeg hij dit land terug. Bij het bepalen van de verkoopprijs van de akker werd dan ook rekening gehouden met het jubeljaar. Naarmate het jubeljaar dichterbij kwam, werd de prijs lager (Lev. 25:15, 16). Wanneer iemand zichzelf als slaaf had moeten verkopen, dan kreeg hij – eveneens in het jubeljaar – zijn vrijheid terug. :::author_streamer 1::: Op deze wijze werd voorkomen dat mensen in een schuldenspiraal terechtkwamen en mogelijk zelfs levenslang als slaaf zou moeten dienen. Het jubeljaar had bovendien een religieus motief. Dat blijkt reeds uit het feit dat het jubeljaar werd ingeluid op de grote verzoendag – de dag van boetedoening en verzoening – door het blazen op de ramshoorn. De Heere laat op deze dag zien dat Hij dé grote Eigenaar is van Kanaän. Het stukje land dat de Israëlieten mochten bewonen, was geléénd. Zij dienden te leven als ”gasten en vreemdelingen” in dit land (Lev. 25:23). Bovendien herinnerde de Heere Zijn volk eraan dat zij ooit als slaven in Egypte hadden gediend en dat Hij uit deze slavernij had bevrijd. Daarom mochten de Israëlieten die zich vanwege armoede als slaaf hadden moeten verkopen geen slavenbehandeling krijgen. Totdat het jubeljaar aanbrak, moesten zij behandeld worden als ‘een dagloner, als een bijwoner’ (Lev. 25:39,40). Het jubeljaar is volgens de Heere heilzaam voor mensen. Het ontbreken van dit principe mogen wij best een gemis vinden. Toch kunnen wij nog wel naar de geest ervan handelen. Om „rijk te worden in het doen van goede werken” (1 Tim. 6:18). Een paar jaar geleden was het in het nieuws dat een man een compleet bedrijfspand schonk aan de huurder, de stichting Gave die zich inzet voor hulp aan vluchtelingen. Toen het bestuur de eigenaar wilde bedanken zei hij: „bedank de Eigenaar, niet de rentmeester”. Die man had het begrepen!