Bij tijd en wijle betreur ik mijn beslissing om na tweeënhalf jaar pabo het bijltje erbij neer te gooien. Basisschooldocenten doen zo’n beetje het gewichtigste werk dat je je kunt voorstellen. Een goede meester of juf is zijn of haar gewicht in goud waard. Ik zou het niet kunnen. Voor de klas staan. Vijf dagen in de week met zo’n 25 kinderen op een paar vierkante meter bivakkeren. Ga er maar aan staan. En dan meestal ook nog in een lelijk, tochtig gebouw midden in een woonwijk. :::author_streamer 1::: Urenlang heb je die kinderen voor je neus. Allemaal met hun eigen verhalen, talenten, verlangens en struggles. Je wilt elk kind recht doen. Tot kwart over drie en zelfs daarna. Maar na schooltijd is het tijd voor de ouders. Voor mensen zoals ik, die vinden dat hún kind wat specialer is dan de rest. En dat de docent dat ook moet zien. Meester of juf zijn… Het lijkt me prachtig, maar ook veeleisend werk. Vooral vanwege die vergaderingen. Je wilt er zijn voor de kinderen die aan jou toevertrouwd zijn. Maar in plaats daarvan neem je toetsen af en ga je daarna in een hok zitten om de resultaten te bespreken. Voordat je dat kunt gaan doen, moet je eerst vertellen ”hoe je erbij zit”. Daarna mag –of beter: moet– je ”je leermomenten delen” en ”je genietmomentjes vieren”. En dan, in de marge, wordt het onderwerp werkdruk besproken. De vergaderdruk blijkt zo hoog dat het punt wordt doorgeschoven naar de volgende vergadering. Goed, tot zover mijn ongefundeerde indruk van de onderwijspraktijk. Wat prijst de thuiswerker in mij zich gelukkig. Niemand die bij mij komt inchecken, iets met me komt vieren of een puzzel met me deelt. Gewoon ik, m’n schermpje, toetsenbord en muis. Gewoon werken, kilometers maken, resultaten boeken. Hier op zolder vier ik het ongecompliceerde leven. Helemaal alleen. Inchecken mag. Stiekem toch wel.