Je vraag doet me denken aan een bezoekje dat ik ooit bracht aan een rabbijn en zijn vrouw. Tijdens het gesprek kwamen op een zeker moment hun dochters binnen. Wat mij opviel, was hun kledingstijl: een mooie rok tot over de knie, de mouwen van de blouse tot over de elleboog. >„Wij zijn prinsessen. Dan kleed je je toch ook als een prinses?” Later kwam ik er bij de vrouw van de rabbi op terug. „Uw dochters gaan zo netjes gekleed. Waarom is dat, als ik u mag vragen?” Even keek ze me verwonderd aan. Waarna ze met een spontane lach zei: „O, maar natuurlijk gaan wij netjes gekleed. Wij zijn prinsessen. Dochters van Sara. En als je een prinses bent, kleed je je toch ook als een prinses?” Het antwoord van de vrouw van de rabbijn is me altijd bijgebleven. Lijkt het niet op wat de apostel Petrus in zijn brief aan jonge christenen schrijft? Hij heeft het over vrouwen die de Heere vrezen. Zij leven volgens hem kuis: bescheiden, eenvoudig, ingetogen. Wat hen sierlijk maakt, zegt hij, zit ’m niet in het uiterlijk: in het vlechten van het haar, in het dragen van gouden sieraden of mooie kleren. Nee, zegt Petrus, het zit ’m juist in het innerlijk: in een „zachtmoedige en stille geest” (1 Petr. 3:3,4). En dan wijst Petrus ook op Sara. Laat Sara jullie voorbeeld zijn, schrijft hij. Want, zo voegt hij er zo mooi aan toe: „Jullie zijn haar dochters geworden” (1 Petr. 3:6). Haar dochters geworden? Ja, zegt Petrus. Dat is wie jullie zijn: dochters van Sara! Laat het tot je doordringen. Is het niet groots? Een dochter van Sara ben je als je bij het genadeverbond behoort. En dat behoor jij, nietwaar? De Heere heeft het verbond met Abraham opgericht. Uit hem en Sara is het Joodse volk ontstaan. Sara is er de koningin van. De Heere Jezus heeft dat verbond naar de heidenen verbreed (Matt. 28:19). Ook wij mogen erbij horen. Misschien werd het wel gezongen toen je werd gedoopt: „En doen de naam van Sions kinderen dragen” (Ps. 87:5). Ook daarom mag jij Sara je moeder noemen. Je wordt het écht, dochter van Sara, als de Heere je tot geloof brengt. Als je jezelf leert kennen als een mensje dat, zonder dat er de minste reden voor was, tegen God in opstand kwam. Hoe erg! Als je dat ziet, kun je wel uitroepen: „Wat heb ik gedaan?” Hoe rijk is het, als de Heere je juist in je ellende oog geeft voor de Heere Jezus, de Zoon van Sara, Die naar de wereld kwam om te zoeken en zalig te maken dat verloren is (Luk. 19:10). Dat wens ik je toe: oog op de Heere Jezus, Die bereid is voor zondaren de weg naar het kruis te gaan. Zie Hem hangen aan het hout. Naakt. In Zijn schande. Zie Zijn uitgebreide armen, waarmee Hij zondaren zonder onderscheid nodigt: „Wendt u tot Mij, en wordt behouden” (Jes. 45:22). >Dat wens ik je toe: oog op de Heere Jezus Ik weet zeker: als je in geloof op Christus mag zien, zul je je verwonderen over Zijn liefde. Dan zul je je ook echt schamen voor al wat je hebt gedaan, en misschien ook wel voor de manier waarop je met je kleding omging. Je trots. Je hoogmoed. Maar dan zul je ook door het geloof in de Zaligmaker kracht krijgen om in te gaan tegen wat van de wereld is en wat niet stijlvol en eerbaar is: een naveltruitje, een kort broekje, een topje met spaghettibandjes. Dan wordt het je verlangen: „Heere, hoe wilt U dat ik mij kleed?”