Het park is hun plek. Het bankje hun thuis. Het enige dak dat ze boven hun hoofd hebben, is de hemel: soms strakblauw, maar meestal grijs. Of de bankjesmannen echt dakloos zijn, weet ik trouwens niet. Maar ze hebben in ieder geval om halfelf ’s ochtends al zin in een halve liter bier. De bankjesmannen lijken te wachten. Te wachten op de weg omhoog. Maar welke afslag ze daarvoor moeten nemen, weten ze niet. Ooit, in een ver verleden, hadden ze nog verwachtingen. Nu zijn ze ervan overtuigd dat hoop niets meer is dan uitgestelde teleurstelling. Net als veel andere mensen ben ik niet echt een ik-stap-op-een-dakloze-af-voor-een-praatje-man. Als ik al contact met hen heb, komt dat doordat ze op mij afstappen. Dan vragen ze om geld. En eigenlijk geef ik ze dat altijd gewoon. Ondanks de wetenschap dat ze daar geen bruine boterham van zullen kopen. Gewoon, omdat het me zo verschrikkelijk lijkt om te bedelen bij een medemens. Telkens een ”nee” te horen van iemand die net iets meer geluk gehad heeft in het leven dan jij. Het geven van geld levert mij bovendien wat op. Voor even zie ik een hoopvolle twinkeling in hun ongelukkige ogen. Het muntstuk, hoe klein ook, geeft ze mogelijkheden. Een gevoel van vrijheid. Dankzij mij. :::author_streamer 1::: Nadat zo’n man zijn weg met blijdschap heeft vervolgd, vraag ik me af wat er nu eigenlijk gebeurde. Die hoopvolle blik heb ik me ingebeeld. Sterker nog: ik heb niet eens in zijn ogen gekeken. Ik moffelde het muntstuk in zijn hand en liep snel door. Bang dat hij mijn waardevolle tijd in beslag zou nemen. Ik had alleen hoeven vragen hoe het met hem ging. Of hoe hij heette en wat hij vandaag gedaan had. Maar in plaats daarvan kocht ik mijn plicht af met een muntstuk. Fungeerde mijn geld als betaalmiddel voor echte aandacht. Pas liep ik met mijn zoontje door datzelfde park. Hij is anderhalf, kan net lopen en ontdekt dat de wereld veel groter en kleurrijker is dan onze beige huiskamer. Hij zwaait naar ieder mens. Elke hond en elke duif kan op een uitbundige begroeting rekenen. Tijdens een van die avontuurlijke tochten lopen we langs een bankje. Daarop zit een man met een ongelukkig hart en een stoïcijnse blik. Ik pak de hand van mijn zoontje, trek hem voorzichtig mee, probeer mijn pas te versnellen. Maar mijn zoontje blijft staan. Hij kijkt. En zwaait. En lacht. Net zolang totdat de man ook kijkt. En terugzwaait. En teruglacht. Over ”worden als een kind” gesproken. _Robert van der Stelt is journalist, hardloper en vrolijke vader van twee kinderen. _