In het vroege voorjaarslicht struint een reeënpaartje kalm door het bos dat onze achtertuin vormt. De sneeuw is gesmolten, het wordt voor het wild weer wat gemakkelijker om aan eten te komen. De reeën wroeten in de aarde en het mos, en kijken –kwetsbaar als ze zijn– regelmatig een moment aandachtig om zich heen. Beide beestjes dragen hun grijze winterjassen nog, maar die zullen ze nu wel snel gaan inwisselen voor roodbruine vachten. Bij het bokje is de ene helft van z’n gewei afgebroken. Een „Abnormer” noemen ze zo’n dier hier dan, weet ik van Jos. Ik vind ze alleen maar ”abnormaal” mooi, deze sierlijke schepselen op hun ranke poten en met hun grote, bruine ogen. En het blijft een voorrecht om ze in alle rust te kunnen bewonderen. Als hun witte, wollige achterkanten uiteindelijk tussen het struikgewas verdwijnen, loop ik de trap af, blij met dit mooie begin van de dag. Beneden open ik de mailbox. Het bericht dat binnen is gerold, maakt me plotseling een tikje minder enthousiast over het landleven. Het komt van de architect die we in de arm hebben genomen voor het uitbreiden van de keuken en schuur. Er blijken nogal wat haken en ogen aan het plan te zitten, schrijft hij. Hij heeft navraag gedaan en ontdekt dat ons huis op grond staat die de bestemming „Grünland” heeft. Verbouwen wordt daardoor waarschijnlijk ingewikkeld. Ik zucht even. Dit zal wel uitlopen op het wijzigen van het bestemmingsplan, een langdurig en kostbaar verhaal. En dat voor die paar vierkante meter extra die wij nodig denken te hebben… „Verbouwen kunnen we nog wel even vergeten, jongens”, meld ik in de gezinsgroepsapp. „Het is Grünland waar wij wonen.” De reacties van Jos en Mart rollen niet veel later bijna tegelijk binnen. „Laat Trump het niet horen!” tikt de een. „Zo meteen wil Trump ons nog uitkopen voor de nationale veiligheid”, appt de ander. Twee tellen staar ik niet-begrijpend naar de berichtjes op het scherm, dan schiet ik in de lach. Nog diezelfde dag komt er opnieuw een e-mail binnen, dit keer vanuit Nederland. Een stel met een paar kleine kinderen heeft via via vernomen dat wij inmiddels al jaren in Karinthië wonen en wil graag weten hoe dat bevalt. De jonge ouders overwegen een dergelijke stap. De krapte op de huizenmarkt en de drukte op de wegen stoort hen, tegelijkertijd krijgen ze het benauwd van het oprukkende asfalt en beton. Luchtvervuiling, geluidsoverlast en mentaliteitsverandering in het vaderland bevallen hen ook niet meer. Ze snakken naar wat meer ruimte, natuur, frisse lucht en vergezichten. Peinzend staar ik naar de mail. Die willen wonen in Grünland, besef ik opeens. Net als wij. Hoe dat bevalt? „Geweldig!” tik ik. „Alleen lastig als je wilt uitbouwen.” Dan wis ik de zinnen en begin ik aan een serieus en eerlijk antwoord. Over alle voor- en nadelen. En dat we toch echt niet graag ergens anders zouden willen dan hier. In het Grünland.