Het zit zo: Laura en ik zijn wel dierenvrienden en geen vleeseters. Dat we desondanks in een land van echte carnivoren zijn terechtgekomen, betekent dat we hier tamelijk uit de toon vallen. Een jonge collega vraagt zelfs wanneer Laura er „eigenlijk achterkwam dat ze vegetarisch is.” Blijkbaar beschouwt hij deze levensstijl meer als een aangeboren afwijking dan als een bewuste keuze. Nu is Nederland stukken beter op vegetariërs ingesteld, dus als we daar een bruiloft hebben, kan Laura van te voren al een vleesvrij diner bestellen. Ik ben minder consquent en besluit gewoon met de andere gasten te proeven van de geserveerde beef en ossenhaas. Het is meteen de laatste keer. Want als ik de volgende morgen met Maarten en Jos terugrijd richting Oostenrijk, gaat het gammele gevoel dat me de hele nacht al vergezelde, over in hevige misselijkheid. Mijn maag protesteert duidelijk tegen het ongewone diner van de vorige dag, en voor ik het weet, moet ik om een spuugzakje en een tussenstop vragen. Zelden duurde een rit zo lang. Hondsberoerd hang ik op de achterbank. Keer op keer ga ik over mijn nek langs de kant van de weg. Regen en files vertragen de reis ook nog eens aanzienlijk. Het wordt donker. Voordat ik voor de zoveelste keer probeer wat te slapen, geef ik mijn ID-kaart naar voren. Dan hebben Maarten en Jos die paraat wanneer we de grens overgaan. Midden in de nacht zetten we Jos af bij zijn appartement in Graz – en het loopt al tegen de morgen als ik eindelijk, éindelijk, thuis mijn bed inrol. Pas een maand later, ontdek ik dat mijn ID-kaart niet in mijn portemonnee zit. Na enige nadenken, zeg ik tegen Maarten: „Ik denk dat jij hem nog hebt van toen we uit Nederland terugkwamen.” Hij weet van niks. Dus bel ik Jos. Ook die kan zich niet herinneren dat ik de pas destijds naar voren gegeven heb, maar hij gaat wel even op zoek. Tevergeefs. Ik zet de koffer op z’n kop, die mee naar Nederland is geweest. Ik kijk drie keer in de handtas die ik op de bruiloft droeg. Ik doorzoek mijn eigen toilettas. En die van Maarten. Het legitimatiebewijs blijft spoorloos, ook nadat we de auto binnenstebuiten hebben gekeerd. We kunnen maar één verklaring vinden: tijdens een van die keren dat ik overhaast naar buiten sprong om mijn maag te legen, moet de pas uit de auto gevallen zijn. De hele zomer lang zit het me niet lekker. Wat als we vanwege familieomstandigheden plotseling naar Nederland moeten? Week na week glijdt voorbij, maar nergens duikt mijn ID-kaart op. Dan moet je aangifte doen, lees ik op internet. En een nooddocument aanvragen. En vervolgens een nieuwe ID-kaart. Ik zie de bui al hangen: dit wordt een hoop gedoe, met documenten, pasfoto’s en minstens één retourtje naar de ambassade, helemaal in Ljubljana. Op een maandag besluit ik dat het deze week maar van die aangifte moeten komen. Op dinsdag verzucht ik dat ik vijftig euro uitloof aan degene die alsnog mijn persoonsbewijs vindt. Op woensdag maakt Laura de koelkast schoon. Opeens staat ze stralend naast me, de handen op haar rug. „Wat kreeg degene die uw ID-kaart vond?” De pas is boven water. Hij lag … in de vléésla! Gewoon onder een paar gesealde Oostenrijkse worsten, pakjes spekblokjes en Schwarzwalder Schinken. De hele zomer heeft hij in de koelkast gelegen, terwijl ik me ongans zocht. Hoe hij daar terechtgekomen is? We zullen er wel nooit achterkomen. Maar sinds kort roepen we hier als iemand – vegetariër of niet – iets kwijt is: „Kijk maar in de vleesla!”