Drie dagen lang heb ik nu jeukende ogen, een lopende neus en nies ik zonder ophouden. Mijn ribben doen er zeer van en mijn ogen zijn bloeddoorlopen van het wrijven. „Ik denk, dat ik ziek word”, zeg ik tegen Tabea, terwijl ik gember snijd voor in de thee naar moeders voorbeeld. „Weet je wat ik denk?”, reageert ze. Ik kijk haar afwachtend aan. „Jij bent gewoon allergisch!” zegt Tabea lachend. Ik wilde dat ik haar kon overtuigen van het tegendeel, maar een plotselinge niesbui lijkt haar woorden te bevestigen. „Nee, dat kan niet”, denk ik, terwijl ik de gember in de thee roer. Dat wil ik niet, denk ik, en ik probeer mijn tranende ogen droog te wrijven. :::author_streamer 1::: Ik weet dat het niet eerlijk is, maar mensen die dergelijke allergieën hebben irriteren me. Het is toch het allernatuurlijkste, om buiten te kunnen zijn, zonder daar ziek van te worden? En om door God geschapen eten te eten, zonder te stikken of op te zwellen of wat er ook maar kan gebeuren? Dat weiger ik gewoon. Helaas zorgt die instelling niet voor minder jeukende ogen of een plotselinge genezing. Dus stap ik na nóg drie dagen toch maar naar de apotheek en som mijn symptomen op. „Dat is een overduidelijke pollenallergie”, zegt de apotheker. Hmm, deze man hoef ik niet tegen te spreken, die heeft er tenslotte voor geleerd. „Kunt u me daar tabletjes voor geven?” Thuis neem ik er eentje, verstop de rest in een laatje en probeer te vergeten dat zij bestaan en in míjn la liggen. Dus als je iemand allergisch ziet zijn, wees gerust: dat ben ik niet. Voor nu neem ik gewoon mijn tabletje, probeer buiten te genieten van het mooie weer, en denk heimelijk dat ik misschien toch een klein beetje respect moet hebben voor al die mensen met hun tranende ogen en lopende neuzen. Want het is geen pretje.