Lezen: Spreuken 12:1-8 Juda is razend. Zijn schoondochter Thamar heeft hem vernederd. Thamar moet boeten. Of zijn vonnis van de brandstapel volgens de juridische maatstaven van zijn dagen houdbaar is, interesseert Juda niet. Dat de wetgeving van zijn dagen niet alleen de vrouw, maar ook de man die overspel bedreven heeft, veroordeelt, boeit Juda niet. Een rechter heeft Juda ook niet nodig. Hij past zijn recht zelf toe. Alles wijst erop dat Juda zijn gekrenkte eer wil wreken op Thamar. In juridisch opzicht staat Juda namelijk zeer zwak. Daarnaast heeft Thamar zich dan wel vrijwillig verbonden met zijn huis, maar is zij op Juda’s voorstel weer ingetrokken in het huis van haar vader. Vanaf dat moment valt ze onder de eerste verantwoordelijkheid van haar vader en niet van Juda, haar schoonvader. In eerste instantie gaat Thamar zonder protest mee (Gen. 38: 25). Maar zodra zij voor haar schoonvader staat, legt ze drie voorwerpen voor hem neer. Door de man van wie deze dingen zijn, ben ik zwanger, zo bekent ze. Dan kijkt ze Juda recht in de ogen aan en zegt: Beken toch, van wie deze spullen zijn (Gen. 38:25). In een klap wijzigt het toneel radicaal. De rechter wordt de aangeklaagde, de aangeklaagde getuige én slachtoffer. Juda staat voor voldongen feiten. Zijn voorwerpen, zijn schoondochter, zijn vriend Hira en de zwangerschap leveren overtuigend bewijs dat hij de dader is. Het doek is gevallen. Juda heeft zichzelf veroordeeld. Hij erkent zijn schuld. Letterlijk staat er: „Zij is rechtvaardig! Ik niet, want ik gaf haar niet mijn zoon Sela.” :::author_streamer 1::: In een ogenblik doorziet Juda de hele situatie. Hij wilde zijn belofte aan Thamar niet nakomen, terwijl Thamar op het inlossen van Juda’s toezegging bleef wachten. Hij handelde vanuit zelfbelang ten koste van Thamar. Thamar daarentegen leefde vanuit het belang van Juda. Dat Thamar in haar recht staat, getuigt ook de toenmalige wetgeving. Die staat namelijk toe dat een schoonvader met zijn schoondochter mag huwen wanneer beiden weduwnaar, respectievelijk weduwe zijn geworden. Juda kiest daar niet voor, zo benadrukt de Bijbelschrijver (Gen. 38:26). Nu hij de oprechtheid van Thamar kent, eerbiedigt hij haar.