„Nou, bedankt allemaal!”, beëindigt Kathi de vergadering. „Dan zijn we klaar. Nu moeten we bidden dat de paus komende zes tot acht uur niet sterft, want dan moet alles omgegooid worden.” Ieder keert terug naar zijn werkplek. In het kader van mijn studie journalistiek loop ik stage bij een katholieke krant. Het is niet mijn eerste keus, ook niet mijn tweede. Maar zij wilden mij wel hebben, dus ben ik benieuwd wat die drie maanden mij zo gaan brengen. Wie weet, kan ik wat betekenen. Ik heb de lopende band van de Hofer en mijn werkschoenen met stalen neuzen tijdelijk ingeruild voor een eigen bureau met laptop en vaste telefoon. De eerste dag verloopt in elk geval heel prima. Ik schrijf meteen maar liefst drie artikelen. Daar sta ik een beetje versteld van. Ze hebben hier in elk geval meer vertrouwen in mijn skills dan ikzelf. Die middag, na de vergadering, word ik meteen op pad gestuurd voor een kleine reportage. Het is druk deze week, want de veertigdagentijd is begonnen en in het katholieke wereldje waarin ik nu ben beland, is dat verbonden met een hoop missen en activiteiten. Ik ga met een groep gehandicapte kinderen naar de Katholieke Vrouwenbeweging in de binnenstad, waar we samen een vastensoep zullen eten. Alleen al het woord “vastensoep” klinkt mij nogal tegenstrijdig in de oren. Er blijkt in de vastentijd veel soep te worden verorberd om toch bescheiden te eten en aan de andere kant wel voldoende voedingsstoffen en mineralen binnen te krijgen. Als de fotograaf en ik de kinderen ontmoeten, hebben ze allemaal al een Aschenkreuz op hun voorhoofd. Een kruis van as, wat door geestelijken opgelegd wordt en staat voor boetedoening, reiniging en vergankelijkheid. Voor de meeste kids is het niets nieuws. Voor mij wel. Wat de lezers de komende maanden van mij gaan leren, weet ik niet, maar ik zal in elk geval veel over hen en hun wereldje leren. En die vastensoep smaakt goed.