Het is goed om af en toe iemand te hebben die met een frisse blik kijkt naar hoe je werkt, woont en leeft. Dat geldt al helemaal als je voor het eerst in je bestaan een bedrijf opbouwt, met alle valkuilen van dien. Het kan altijd praktischer. Dat merken we nu Mart bij ons is ingetrokken. Sindsdien zoeft zijn stofzuigrobot over de planken van onze ”Stube”. Het blijft een wat wonderlijk gezicht, dat hypermoderne apparaat in die honderden jaren oude kamer onder de klassieke balken en rond de historische ”Kachelofen”. Maar praktisch is het wel. Wat ook veel tijd scheelt: de druppelslang die Mart in een handomdraai installeert. Meters en meters beukenhaag die ik voorheen zomers voor dag en dauw urenlang stond te besproeien, worden nu van water voorzien zonder dat ik er ook maar iets voor hoef te doen dan even de buitenkraan aanzetten. Apart dus, dat ik elke vernieuwing toch weer argwanend ontvang. Voorbeeld: Sinds deze week worden de kaarten van het potje ”6 Nimmt” dat wij na het avondeten standaard spelen, geschud door een apparaat. Een plastic – plástic! – geval, dat nog geluid maakt ook en dat de rest van de dag de antieke buffetkast staat te ontsieren. Goed, ik geef toe dat ik nooit degene was die de kaarten schudde, maar ik heb vaak genoeg toegekeken om níet te kunnen snappen wat daar zwaar of tijdrovend aan zou zijn, Het nieuwste idee van Mart betreft ons kippenhok: „Da’s toch geen doen, elke morgen het luikje open- en dichtdoen?” Kan prima geautomatiseerd, meent hij. Géén techniek in mijn hok, weer ik af. Weet je hoe mooi de dag begint, als je in het vroege morgenlicht over het erf wandelt, waar de kippen al op de uitkijk staan om naar buiten gelaten te worden? Het gezellige gekloek, de eitjes in het nest, hun gescharrel als je een handje voer strooit – dat maakt het leven hier tot landleven. En ’s avonds voor het slapengaan nog even onder de sterrenhemel door om het luikje dicht te doen – het is alleen maar mooi. Maar vandaag wordt mijn principe aan het wankelen gebracht. Het is al laat als Maarten ik het kampvuur verlaten, waar we samen met de gasten hebben genoten. Terwijl Maarten naar binnen gaat, stap ik de wei in om het kippenluik te sluiten. Bij het hok aangekomen, ontdek ik tot mijn schrik dat het daar stil en leeg is. Er zit niemand op stok. Dan zie ik het: de deur van de buitenren moet zijn dichtgewaaid, zodat de dames vanavond niet naar binnen konden om zo het luik van het nachthok te bereiken. Ik schakel de zaklamp van mijn telefoon in en tuur door de duisternis in struiken en bomen. Marter, vos en wolf zijn dichtbij. We hebben in het verleden al te vaak alleen nog een poot of kop teruggevonden, ik móet onze veestapel vinden. Op mijn slippers wortstel ik me door de kniehoge brandnetels tegen een steile helling op. Er is hier in het aardedonker geen levend wezen te bekennen. Net als ik het wil opgeven, meen ik wat te horen. Me met één hand aan een boomtak vasthoudend, schijn ik opnieuw om me heen. Van tussen de bladeren boven me kijken twee kraaloogjes me aan. Via de telefoon roep ik Maarten om hulp, die met de bouwlamp komt aanzetten. We klimmen, kruipen, slaken geërgerde kreten én: vangen. Als we een hele poos later – met schrammen en brandnetelprikken overal – in bed stappen, zit 60 procent van de kippenpopulatie veilig op stok. Het andere deel blijkt de volgende morgen bij het ochtendgloren braaf voor de deur te staan wachten. De hele club heeft het overleefd. Het geautomatiseerde kippenluik wordt na dit nachtelijke kippenvangen in heroverweging genomen.