Koffiepauze

spg-16889-henrikedewit-6

Het is een doorsnee dinsdag. De regen tikt, kwart voor zeven en de wekker gaat. Dat betekent opstaan, mijn spreekuur wacht. Maar voor het zover is, moet er thuis nog wat gebeuren.

Dat eerste uur, na die rinkelende wekker, tikt de klok meedogenloos haar minuten weg. Kinderen wakker maken, tandenpoetsen, aankleden en dat keer drie. Bedden nog gauw even recht trekken, dat gaat zo lekker weg. En vooral, dat komt zo lekker thuis.

Maar om acht uur is het me weer gelukt, kinderen opgepoetst en aangekleed onder de hoede van hun vader aan tafel. En mijn belangrijkste taak, de haren van mijn dochter in model.

‘Dat kan papa niet zo mooi, en ook niet strak’. Eerste complimentje voor vandaag heb ik op zak.

Tien minuten later ben ik op de praktijk, rechtgetrokken bedden, gepoetste tandjes en gekapte haren ben ik vergeten.

In die tien minuten onderweg transformeer ik van moeder naar verloskundige. Dat ritje is fijn, dat verlegt mijn focus, dat haalt mijn andere ik naar boven.

Ik start mijn computer op en scroll door mijn agenda. Eens kijken wat deze dag – in ieder geval gepland – voor mij in petto heeft.

Om half negen komt Esther, als eerste. Dertig weken zwanger, ze heeft geen vragen. De baby beweegt goed en ze voelt zich prima. Nog een paar weken werken, dan verlof. Daar kijkt ze naar uit. De controles zijn goed, het hartje horen is elke keer weer fijn. En met een brede glimlach verlaat ze mijn spreekkamer.

Tot half tien kabbelt de ochtend zo door, weinig bijzonderheden. En zelfs bijna geen uitloop. Dat is uniek, en zeker vermeldenswaardig. Mijn probleem is namelijk dat ik nooit op de klok kijk, gewoon niet. Ik vergeet dat simpelweg.

Voor mij zit keer op keer een vrouw die haar verhaal wil doen. Die haar zorgen of haar blijdschap met mij wil delen. De klok en de tijd zijn daarin geen partij.

Spijtig voor de mensen in de wachtkamer, al kan het daar ook heel gezellig zijn.

Dan wipt de assistente binnen. ‘Bloedverlies, vijftien weken’, zegt ze in steno. ‘Heb je nog een plekje?’ Ik weet al van niet. ‘Om half elf’, mijn pauze plekje. Toe maar, bloed gaat voor koffie, altijd.

Ik zie nog een paar mensen, meet bloeddrukken, voel buiken, maak nieuwe afspraken.

Dan komt Marlies, iets over half elf. Gespannen, dat zie ik. Ik ken haar goed. Vorig jaar rond deze tijd had ze een miskraam, nog vroeg in de zwangerschap, maar toch verdrietig. Het duurde even voor ze een nieuwe zwangerschap weer aan durfde. Weer zwanger betekent ook: het kan weer misgaan. Hoe zal ik daarop reageren? Dat deelde ze met mij tijdens het intakegesprek. Ik ben dan altijd zo stil en verwonderd, over het vertrouwen, de openheid en kwetsbaarheid die vrouwen laten zien.

Nu is ze nerveus, het zal toch niet? We hebben weinig woorden nodig.

Ga maar liggen, zeg ik, dan kijken we gelijk. Ik sla het luisteren maar over. Marlies wil maar een ding, haar baby zien, met een kloppend hartje.

Ik zoek en zoek. Maar het is niet. Geen kloppend hartje, geen schoppende beentjes. Stil ligt daar haar baby. Mijn hart bonst in mijn keel, het zal toch niet?

Oh nee, hoe moet ik haar dit gaan vertellen? Uiterlijk ben ik heel kalm, Marlies ziet nog niets aan mij. Rustig zeg ik, ik heb slecht nieuws Marlies. Het hartje klopt niet meer.

Dan breekt ze, ze snikt alleen maar ‘niet weer, niet weer’.

De mondkap irriteert mij mateloos opeens. De anderhalve meter is een kwelling. Even een arm om haar heen, het kan niet. Voorzichtig raak ik haar been aan, heel even.

Ze wil het zien, nog een keer en haar man bellen, hij weet nog van niks. Dat doet ze, eerst. Hortend vertelt ze. ‘Het is niet goed Jaap, niet goed, weer niet goed’.

Dan kijken we, nog een keer met de echo, zolang ze wil, ze ziet het nu zelf ook. Het hartje klopt niet meer.

Dan komt de vraag, wat nu? Haar mond stelt die vraag, maar haar ogen volgen niet.

Ik weet, deze informatie komt niet binnen. Dit is niet het moment voor het gesprek over ziekenhuisopname, inleiding, opbaar methodes. Niet het moment om na te denken over een begrafenis. Ik stel voor, ga maar naar huis. En kom vanmiddag samen terug. Dan kijken we nog een keer, en praten we verder. Zonder te kijken weet ik: de agenda is vol. Maar er is altijd nog een plekje voor bloedverlies en tranen.

Dan gaat ze, stil nu, en intens verdrietig. ‘Het lukt wel alleen’, zegt ze nog, en ‘tot vanmiddag’.

De deur slaat dicht. Ik zucht en slik, ik zet mijn mondkap even af.

Dan ga ik weer door. Niets in mij dacht het afgelopen uur aan tijd. Het was mijn pauzeplek, dus ik had alle tijd.

Ik roep de volgende binnen, en werp een blik in de wachtkamer. Die zit vol, op een anderhalve meter-manier. Ik wil sorry zeggen, voor de uitloop. Maar ik zeg het niet. Want waarom zou ik sorry zeggen, voor de tijd die ik nam om Marlies te vertellen dat haar baby niet meer leeft.

beeld: Tineke van der Eems

Auteur

Henrieke de Wit

Volg ons lifestyle platform op instagram.