Pijn om dat wat nooit komen zou

blog-mathilde

Niemand kan er iets aan doen. Niemand kan het helpen dat ik prikkels maar slecht verdraag. Niemand kan het helpen dat ik met een brok in mijn keel kijk naar spelende neefjes of nichtjes. Niemand kan het helpen dat ik me een buitenstaander voel.

Ik ben degene die het voelt, als mensen bij familiefoto's zullen zeggen: ,,Wat leuk, zo met z'n allen.” Ik ben degene die het voelt, op de dag dat mijn nichtje voor het eerst naar school mag. Ik ben degene die het voelt als de school hier vlakbij uitgaat en de moeders met kinderen op de fiets of in de auto me om de oren vliegen. Ik ben diegene die dan de brok in mijn keel weg sta te slikken.

Zij kunnen het niet helpen. Maar ik ook niet. Dat maakt het moeilijk.

Zij kunnen het niet helpen dat ik verdriet heb, dat ik mijn zoon moet missen en dat ik door alles wat er gebeurd is, veranderd ben. Moet ik hen opzadelen met die bijsmaak? Moet de sfeer bij familieaangelegenheden worden bepaald door iemand die niet kan omgaan met de emoties die zulke momenten met zich meebrengen? Moeten anderen bij iedere mijlpaal van hun kind mijn verdriet voelen om dat wat voor Jona niet weggelegd was?

Dat is niet wat ik wil.

Het zijn herkenbare gevoelens voor me, al zo'n tweeënhalf jaar. Want voordat Jona overleed, kende ik ook al verlies. Levend verlies. Pijn om dat wat nooit komen zou. Dat zorgde ook voor tranen, maar niet zo vaak als nu. Want toen had ik hem nog. Dat jongetje dat altijd zo lief lachte. Dat jongetje, dat ik altijd dicht bij me mocht hebben, mocht knuffelen, liefkozen. Dat jongetje, dat de wonden heelde met zijn aanwezigheid. Nu hij er niet meer is, blijven die wonden open en zijn de momenten die toen al moeilijk waren, nog moeilijker.

Het was slikken als jongere kinderen dan Jona hem voorbij streefden in hun ontwikkeling. Eerste hapjes, eerste stapjes, eerste woordjes. Maar als ik dan naar Jona keek, hoe blij hij was met dat wat hij kon, dan was het ook goed.

Hij blij, wij blij. Al voelden we het wel. Levend verlies.

We hadden Jona, maar moesten toekomstperspectieven opzij zetten. Dat begon met de klap toen we hoorden dat Jona niet oud zou worden. Een moeitevol leven stond hem te wachten. Wat een verdriet. Toekomstdromen spatten uiteen als een luchtbel. Daarvan afscheid nemen was moeilijk. En er waren ook al die kleine dingen. Een gewone kinderstoel heeft hier bijvoorbeeld nooit in huis gestaan behalve dan voor de neefjes of nichtjes die langskwamen.

Jona had een aangepaste kinderstoel, waar ik ontzettend trots op was. Jona kreeg een aangepaste kinderwagen, zodat hij ook naar buiten kon, maar wat een toestand is dat geweest. De kinderwagen die hij nodig had, hadden ze niet op voorraad. We zouden maanden moeten wachten. En dat doet dan wel weer zeer. Ieder kind heeft toch recht op een wandeling buiten? Maar gewoon even een wagen kopen, zat er voor ons niet in. We waren afhankelijk van de gemeente en de leverancier.

Gelukkig hebben we het enorm getroffen met de contactpersoon bij de gemeente, die ontzettend betrokken was en oprecht meeleefde. Aan haar hebben we het te danken dat we uiteindelijk toch geen maanden hoefden te wachten. Toen Jona bijna 1 jaar werd, konden we voor het eerst met hem gaan wandelen, voor het eerst écht naar buiten.

In zulke situaties zijn de mensen om je heen extra belangrijk. Wij hebben het zo getroffen hen. Voor al die mensen die hielpen, ben ik dankbaar. Zij maakten het leven wat gemakkelijker. En dat konden we goed gebruiken bij alles wat we aan het verwerken waren.

We hadden het ons immers zo anders voorgesteld. Jona zou geboren worden, ongetwijfeld op z'n vader lijken en opgroeien tot een vrolijke peuter, die leuk zou spelen met leeftijdgenootjes.

Hij zou aarde eten uit de tuin, inclusief de wortels van de plantjes die z'n vader er met zorg had gezet. Hij zou naar school gaan, zijn naam leren schrijven en met z'n ogen rollen als z'n moeder zei dat hij te jong was om alleen naar school te fietsen.

Hij zou rennen, voetballen en ravotten. Hij zou op z'n achterwiel door de straat fietsen, een ravage maken van z'n slaapkamer, chips eten in bed en vieze sokken naast de wasmand gooien in plaats van erin.

Hij zou studeren en leren voor iets waar zijn hart lag. Hij zou voor het eerst alleen op vakantie gaan, vergeten z'n ouders een kaartje te sturen en zich in een jolige bui kaal laten scheren.

Hij zou zijn wilde haren verliezen, op zichzelf willen wonen, roepen dat hij niet vóór z'n 35e ging trouwen en die belofte niet nakomen, maar trouwen met het meisje van wie hij hield.

Levend verlies.

Alle dingen die wij vanzelfsprekend vinden, kwamen ineens ver van ons af te staan.

In plaats van Jona de fles te geven en na verloop gaan tijd te gaan experimenteren met hapjes bloemkool, wortel en pastinaak –is weer hip tegenwoordig, toch? – konden we ons kind enkel vloeibaar voedsel geven door een slangetje in zijn neus en later een slangetje in zijn buik.

Nooit zouden we er achterkomen of hij liever pindakaas of chocopasta op zijn boterham wilde. Dat is het ergste niet, maar toch kon dit soort dingen me soms raken, omdat ik het zo graag anders had gewild voor mijn zoon.

Ik had hem een normaal leven gegund. Ik had hem gegund dat hij kon huilen om een kapotte knie in plaats van de kapotte lip die hij zichzelf keer op keer beet door de hoge spierspanning waarover hij geen controle had. Ik had hem gegund dat hij blij kon worden van een lolly in plaats van medicatie waardoor hij eindelijk minder misselijk was.

Toch besef ik ook dat al die ‘normale dingen’ niet per se een voorwaarde voor geluk zijn. Geluk kun je ook vinden in kleine dingen, dingen die anders zijn dan anders, maar er wel gewoon mogen zijn. Dat besef ik des te meer nu Jona er niet meer is en wij naast het levende verlies ook het echte verlies kennen.

Hem in mijn armen, dat is alles wat ik nu mis.

Auteur

Mathilde Beverloo-de Rooij

Volg ons lifestyle platform op instagram.