Via de achterdeur stapt Rachel Haase (14) de woning van Herman en Marjanne Hoogerwerf (28) binnen. Niet dat ze hier kind aan huis is, maar aanbellen is intussen overbodig. Tot twee jaar terug kende ze het echtpaar alleen van gezicht. Dat veranderde door het mentoraatsysteem dat de gereformeerde gemeente van Kampen in 2015 invoerde. Rachel, jongste van de vijf kinderen in het ouderlijk gezin, werd twee jaar geleden gekoppeld aan Marjanne, huisarts in opleiding. Verplicht is het mentoraat niet, maar de gymnasiaste had er geen bezwaar tegen. „Van mijn zus had ik al gehoord dat het best wel leuk is. Ik vind het niet moeilijk om een klik met mensen te maken. En de jongeren uit onze gemeente met wie ik optrek, deden het ook. Seth, een klasgenoot van me, is gekoppeld aan Herman.” Om elkaar beter te leren kennen, kwamen ze eerst bij elkaar voor een spelletjesavond. „Dat was wel grappig. Zat ik ineens met Seth aan tafel bij mensen die we amper kenden.” Die fase is voorbij. Drie, vier keer per jaar praat ze bij met Marjanne. Soms gaan ze buitenshuis wat drinken. Tussendoor appen ze zo nu en dan. Frequenter contact is niet realistisch, want met haar schoolwerk, de jeugdvereniging, catechisatie, pianoles, volleybal en vrijwilligerswerk op de korenmolen van Kampen is het weekprogramma van de tiener al overvol. ## Ouder maatje Toch stelt ze het contact met Marjanne op prijs. „Normaal praat je als jongere niet met iemand van rond de dertig. Ik vind het wel interessant om te zien en te horen hoe je leven op die leeftijd is. Zou er iets met me aan de hand zijn, dan is het prettig dat ik kan aankloppen bij iemand die ik goed ken, maar wat minder dichtbij dan mijn ouders.” Marjanne ziet haar taak primair als een sociale. ,Ik ben niet de pastor of begeleider van Rachel, maar een ouder maatje. Voor het opbouwen van een vriendschapsband moet je de tijd nemen. Zo ontstaat een basis voor diepere gesprekken.” De duur van het mentoraat wordt aan mentor en pupil overgelaten. „Het doen van belijdenis door de jongere kan een goed moment zijn om het af te ronden”, vindt Marjanne, maar het blijft maatwerk. „Het lijkt mij wel leuk om ook daarna nog wat contact te houden”, reageert Rachel. Veelzeggend is voor Marjanne dat haar pupil de laatste tijd soms zelf voorstelt om weer eens af te spreken. „Dát wil je, dat het van beide kanten komt. Het contact zoals we dat nu hebben, ervaren we allebei als prettig. Het past bij ons karakter en de gevulde agenda die we hebben. Er zijn ook mentoren die zelf kinderen hebben in de tienerleeftijd. Hun pupil schuift soms mee aan tafel.” ## Bedreigend Het idee om mentoraat in te voeren, ontstond tijdens een kerkenraadsvergadering van de gereformeerde gemeente te Kampen. Een van de ambtsdragers stelde voor de gemeente meer te betrekken bij de zorg voor jongeren en bejaarden. Kort ervoor publiceerde het kerkelijk orgaan De Saambinder een artikel over mentoraat voor jongeren, zoals dat was ingevoerd door de gereformeerde gemeente van Capelle aan den IJssel-Middelwatering. Kampen nam het idee over. Een mentoraatscommissie is verantwoordelijk voor het vormen van koppels. Ouderling Hans Zijderveld (66) fungeert als schakel tussen commissie en kerkenraad. Voor de eerste catechisatieavond van de 12-jarigen worden ook de ouders uitgenodigd. Aansluitend wordt informatie over het mentoraat verschaft. De mentoraatscommissie draagt namen van kandidaten aan; de kerkenraad bepaalt wie daadwerkelijk benaderd mogen gaan worden. „Door de huisbezoeken ken je de gezinssituatie beter”, licht Zijderveld toe. „Er kunnen omstandigheden zijn die het onwenselijk maken om iemand als mentor te vragen. We hebben het mentoraat ook geen verplicht karakter gegeven. Voor ouders kan het bedreigend overkomen als hun kind een band opbouwt met een andere volwassene. Wat gaat er allemaal besproken worden tussen die twee?” ## Gezamenlijke zorg In de praktijk staat het merendeel van de ouders positief tegenover het mentoraat. De commissie probeert in de gaten te houden of het niet stilletjes doodbloedt. Dat kan gebeuren als het niet echt klikt tussen mentor en jongere, leerde de opgedane ervaring. „We willen mentoren daarom gaan benaderen met de vraag dit eerlijk te melden. Dan gaan we op zoek naar een oplossing. We hebben als gemeente een gezamenlijke zorg voor de jeugd. Zeker in deze tijd staan jongeren in de branding. Het is belangrijk dat we echt oog voor hen hebben.” Hoewel ze beseft dat ze als christen-jongere in het geheel van de samenleving een uitzondering is, beleeft Rachel Haase dat niet zo. „Ik zit op een reformatorische school, mijn vrienden heb ik binnen onze kerkelijke gemeente en de volleybalvereniging bestaat voor een groot deel uit leerlingen van de Pieter Zandt. Volleybal is echt een christelijke sport. Dat is bij voetbal en schaatsen heel anders.” ## Klikken De christelijke gereformeerde kerk van Bennekom kent sinds acht jaar mentoraat voor jongeren vanaf 12 jaar. Annemieke van der Horst (44), bestuurslid van de kerkelijke jongerenorganisatie LCJ, ging direct meedraaien. Ze kreeg een meisje van zestien toebedeeld. „Tijdens haar studie kwam ze in een andere kerkelijke gemeente, waar ze belijdenis heeft gedaan. Dat was een logisch moment om het mentoraat af te ronden.” Nu heeft de inwoonster van Bennekom, moeder van een zoon en een dochter in de puberleeftijd, de 14-jarige Hanna Brander uit Ede als pupil. Ze hoefden niet aan elkaar te wennen. „Ik noemde haar al tante Annemieke”, lacht de vwo-leerling, tweede in een gezin met vijf kinderen. „Ze is bevriend met mijn ouders. Ik vond het wel fijn dat ik aan haar werd gekoppeld. Het moet klikken met je mentor; ik wist dat dat bij tante Annemieke geen probleem zou zijn.” Ze heeft niet de indruk dat hun relatie is veranderd. Annemieke evenmin. „Het verschil is dat we elkaar vaker spreken dan voorheen.” De twee gaan geregeld ergens wat drinken of een ijsje eten. Bij kerkelijke activiteiten trekken ze gezamenlijk op. „Ook in mijn gebed heeft Hanna een plaats.” ## Geestelijk huisgezin Kern van het mentoraat is voor Annemieke, programmamanager sociale gezondheid bij Noaber Foundation, dat jongeren in de gemeente zich gezien weten. En iemand hebben met wie ze ook geloofsvragen of twijfels kunnen delen. „Dat gaat bij eigen ouders vaak niet altijd even gemakkelijk.” „Ik zou het wel doen”, zegt Hanna, „want de verhouding met mijn vader en moeder is heel goed. Mocht er iets zijn wat ik lastig vind om te vertellen, dan heb ik tante Annemieke. Ja, dat is wel een prettige gedachte.” De invulling van het mentoraat wordt overgelaten aan de mentoren. Belangrijk is voor Annemieke dat het een ongedwongen karakter heeft. „Ik vraag niet bij elke ontmoeting aan Hanna hoe het is tussen haar en God. Het is wel een onderwerp dat soms spontaan ter sprake komt.” Zo gaat het ook in haar eigen gezin. „Er is bij ons gelukkig veel openheid voor het praten over geloofszaken. Toch vind ik het fijn om te weten dat wij niet de enigen zijn die onze kinderen wijzen op God en alles wat verbonden is aan het dienen van Hem. De gemeente hoort een geestelijk huisgezin te zijn. Het mentoraat kan daarbij helpen.” ## Coördinator Het vormen van koppels gebeurt door twee coördinatoren. Rianka Hek (44), werkzaam als verpleegkundige in de gehandicaptenzorg, heeft die taak sinds vier jaar. Jongens worden aan mannen, meisjes aan vrouwen gekoppeld. Momenteel vallen ongeveer zeventig jongeren van christelijk gereformeerd Bennekom in de leeftijdsgroep met een mentor. Tot nu toe kon elke jongere aan een persoonlijke mentor worden gekoppeld. Rianka, zelf moeder van drie zoons in de leeftijd van 14 tot 21 jaar, betwijfelt of dat blijft lukken. „Het ledental van onze gemeente neemt niet toe; het aantal jongeren groeit wel. Afgelopen jaar bereikten er achttien de leeftijd van 12 jaar. Het was echt zoeken om nieuwe mentoren voor zo’n grote groep te vinden.” Zo mogelijk wordt gezocht naar iemand die in dezelfde buurt als de jongere woont. „Wij kennen wijkkringen die soms activiteiten organiseren, dus de ouderen en jongeren in die wijk kennen elkaar meestal al. We letten ook op gemeenschappelijke interesses. Het belangrijkst is dat mentoren iets met jongeren hebben en ernaar verlangen dat ze God leren kennen. Daar gaat het uiteindelijk om.” ## Mismatch Maar zelden hoort de coördinator dat jongeren er niet voor voelen om te worden gekoppeld aan een volwassene. Het mentoraat is vanzelfsprekend geworden. „Een enkele keer is er sprake van een mismatch en komt het contact tussen mentor en pupil niet van de grond. Dan zoeken we zo nodig een andere mentor.” Het minimale wat van een mentor wordt verwacht, is twee keer per jaar iets ondernemen met de pupil, tussendoor contact onderhouden via telefoon of app en aandacht besteden aan bijzondere gebeurtenissen, zoals een tentamen, een verjaardag of zorgen in het gezin. „Het initiatief komt zelden van de jongere, dus je moet er echt in investeren. Als coördinatoren proberen we de mentoren te stimuleren door mails met informatie over jongeren, acties die het contact bevorderen en het organiseren van avonden met een spreker die de leefwereld van hedendaagse jongeren kent.” ## Keuze Zo nu en dan komt bij Hanna de vraag op of God wel echt bestaat. Dan geeft het haar steun dat ouderen om haar heen ondanks soms moeilijke omstandigheden trouw aan de kerk zijn gebleven. „Zij zijn allang volwassen en zullen toch niet geloven in iets wat nergens op slaat.” Terugblikkend stelt Annemieke vast dat zij als puber graag een mentor had gehad „Ik zat in een gemeente met weinig jongeren; waar ook niet gemakkelijk over geloofszaken werd gesproken. Het zou me zeker hebben geholpen als er iemand was geweest die dat wel met me deed.” In de loop der jaren zag ze de wenselijkheid van mentoraat alleen maar toenemen. „Binnen onze gemeente is onderzocht waar jongeren na hun twintigste jaar kerkelijk terechtkwamen. De uitkomst was schokkend. In een periode van tien jaar bleek bijna de helft van hen niet meer kerkelijk betrokken te zijn. Een deel staat nog wel ingeschreven, maar komt niet naar de kerk. Een klein deel heeft zich ook actief laten uitschrijven. Uiteindelijk moet in het hart van jongeren een keuze ontstaan, dat is een werk van God Zelf, maar laten wij er alles aan doen om hen in te bedden in de gemeente.” ## Ds. Robert Pater: „Stap laagdrempelig in; daarmee creëer je een basis voor diepere gesprekken” Als predikant van hersteld hervormd Ederveen en Scherpenzeel wil ds. D.A. (Robert) Pater (43) er zijn voor alle gemeenteleden, maar jongeren hebben een speciale plek in zijn hart. Die houding nam de voormalige wiskundedocent mee uit Veenendaal, waar hij werd aangesteld als pastoraal ouderling voor de jeugd van de hersteld hervormde gemeente. Echtgenote Rieneke (43) was er leidinggevende van de +16 jeugdvereniging. Haar man had pakweg 130 jongeren vanaf 12 jaar onder zijn hoede. Elk jaar sprak hij ze minimaal één keer, om een relatie op te bouwen. „Ik deed drie gesprekken per avond. Met jongeren van 12, 13 jaar duurden die ongeveer een halfuur. Bij 15-jarigen was dat al een uur. Met de leeftijdsgroep daarboven kwam je echt tot inhoudelijke gesprekken. Ook jongeren die niet meer naar de kerk of de catechisatie wilden, bleven het contact op prijs stellen. Vanwege de band die was ontstaan.” „En door je insteek”, vult Rieneke aan. „Bij het maken van een afspraak, zei je: „Ik ben benieuwd hoe het met je gaat.” Ze proefden échte belangstelling. Jij kijkt met een open blik naar jongeren, zonder oordeel.” Robert knikt. „Ik probeerde met ze mee te lopen. Soms letterlijk, door samen een wandeling te maken. We spraken ook weleens af in een restaurantje of op een terras. Afhankelijk van de situatie en het type jongere bepaalde ik wat de beste locatie was. Door die houding, ook in kleding, voorkom je onnodige belemmeringen. In mijn ambtelijk werk als predikant draag ik nu een pak, maar als jeugdpastor kwam ik altijd in een trui.” ## Relaties Het intensieve pastorale contact leidde ertoe dat een aantal jongeren die dreigden af te haken of al afgehaakt waren, nu betrokken gemeenteleden zijn. „God werkt door Zijn Woord, maar Hij maakt daarbij gebruik van relaties. Ik heb het in de praktijk gezien.” De oud-docent, sinds juni 2023 predikant, is daarom een groot voorstander van het koppelen van jongeren aan volwassen gemeenteleden. Daarnaast bepleit hij het aanstellen van een pastorale jeugdouderling wanneer die er nog niet is. „Ambtsdragers hebben hun ambtsgeheim. Daardoor durven jongeren bepaalde zaken die ze aan niemand anders vertellen, soms wel met hen te delen.” In Scherpenzeel zette de predikant een beleidscommissie voor het jeugdwerk op. Die schreef een plan waarin de lijnen voor de toekomst zijn uitgezet. „Er is daar intussen een ouderling voor jeugdpastoraat; daarnaast willen we mentoraat door gemeenteleden invoeren.” Ook in de hersteld hervormde gemeente van zijn woonplaats Ederveen wil hij het netwerk rond jongeren versterken. „De jeugdvereniging is voor het eerst op kamp geweest, in Frankrijk. Zo’n kamp geeft binding in een groep. Belangrijk is dat het kerk-zijn voor hen positieve associaties heeft, en dat er jeugdleiders zijn aan wie ze zich kunnen spiegelen. Die ook een open sfeer weten te creëren, met ruimte voor persoonlijke vragen.” ## Getuigenis Twee leidinggevenden en een jongvolwassene die een ernstig ongeval overleefde, gaven tijdens de kampweek een getuigenis over hun leven met God. De verhalen maakten veel indruk, merkte Rieneke. „Daarna deden we bewust een spel. Het werkt niet als je in een emotioneel beladen sfeer meteen probeert door te praten over zo’n getuigenis. De dagen erna waren er wel mogelijkheden voor.” In contacten met jongeren moet je niet meteen over hun geestelijk leven beginnen, leerde ook robert door ervaring. „Stap laagdrempelig in; daarmee creëer je een basis voor diepere gesprekken. Alles hoeft niet tijdens de eerste ontmoeting te worden gezegd. De leer van de uitverkiezing werkt daarbij voor mij ontspannend. God kent de Zijnen en die zullen tot Hem komen, op Zijn tijd en wijze.” Een andere belangrijke pijler is voor Rieneke het gebed. „In Veenendaal hadden we eens in de twee weken op zondagavond een gebedskring. Dan werd onder meer voor de jeugd gebeden. Je kunt die ook verdelen over de leidinggevenden van de jeugdverenigingen en hen vragen gericht voor de hen toebedeelde jongeren te bidden. Hoe je het vormgeeft, maakt niet zo veel uit, áls er maar gebeden wordt. God heeft ons gebed niet nodig, tegelijk ben ik er diep van overtuigd dat Hij het wel een plaats geeft in Zijn handelen.” ## Werkvakanties De jeugd van de twee gemeenten die hij nu dient, ziet Robert wekelijks in het catecheselokaal. Zijn huidige belijdenisgroep telt 33 catechisanten. De persoonlijke gesprekken mist hij nog steeds. „Jongeren bij wie ik merk dat ze met vragen zitten, nodig ik daarom bij me uit.” Zeker als er sprake is van complexe problematiek, overlegt hij steevast met rieneke. „Zij is me ook daarin echt tot steun.” Voor gesprekken met meisjes kiest hij een ruimte die van buitenaf zichtbaar is, waar hij een betrokken houding combineert met fysieke afstand. „Als ze weggaan, geef ik een hand, maar tijdens het gesprek zit er een tafel tussen. Zo deden we het ook bij mentorgesprekken in het onderwijs.” Funest voor de binding aan een kerkelijke gemeente is volgens de predikant een negatief spreken van ouders over predikant of kerkenraad. „Grote kans dat de kinderen dan afhaken. Als ze ouder worden, moet je eerlijk op kritische vragen ingaan, maar doe het altijd vanuit een positieve grondhouding, met respect voor de ambtsdragers.” Heel mooie vruchten zag Rieneke van kerkelijke werkvakanties. „Daaraan nemen ook jongeren deel die aan de rand van de gemeente zitten. Een aantal zag ik met een heel andere houding terugkomen. De armoede waarmee ze waren geconfronteerd en de gesprekken met christenen in die landen hadden hen geraakt. Zo wil de Heere op allerlei manieren het werk onder jongeren gebruiken.”