Wie kent niet het kinderlied ”In een blauw geruiten kiel / draaide hij aan ’t grote wiel / de ganse dag. / Maar Michieltjes jongenshart / leed ondragelijke smart. Ach, ach, ach, ach, ach, ach, ach, ach.” Het is ooit geschreven door de kinderboekenauteur Antoon Leo de Rop en voorzien van muziek door de organist van de Utrechtse Dom, Richard Hol. Het liedje gaat over een van de grootsten namen in de maritieme geschiedenis, namelijk die van Michiel de Ruyter, die dit jaar 350 jaar geleden overleed. Hij was een kwajongen die het presteerde om van buitenaf de toren van de Vlissingse Jacobskerk te beklimmen tot de bol toe. In die kerk was hij trouwens gedoopt op de dag van zijn geboorte 24 maart 1607. Vanwege zijn gedrag werd hij van school gestuurd. Hij ging werken in de touwbaan van de reders en kooplieden Lampsins. Daar draaide hij de ganse dag aan het grote wiel, maar zijn hart lag op zee. Toen hij elf werd, kwam hij als ”bootsmansjongen ter zee” in dienst van dezelfde firma. Zijn metgezel was de zwarte jongen Jan Kompany, een jeugdvriend van hem. Een halve eeuw later zouden ze elkaar nog eens ontmoeten aan de westkust van Afrika toen Michiel daar de Engelse vloot bestreed. Inmiddels was Michiel admiraal geworden en Jan onderkoning. Wellicht wordt Michiel daarom niet geassocieerd met slavenhandel, zoals dat bij Piet Hein wel het geval was. In 1622, wanneer de oorlog tegen de Spanjaarden in heftigheid wordt vervolgd, neemt hij als kanonier dienst in het leger. Hij is betrokken bij de herovering van Bergen op Zoom, de woonplaats van zijn oma en opa. Hij staat onder de hoede van een oom, die ruiter in het leger is. Heeft hij uit respect voor dat familielid later zijn achternaam uitgebreid met ”de Ruyter”? Aanvankelijk stond hij namelijk te boek als Michiel Adriaensz., zoon van Adriaen Michelsz., bierdrager. Na te land in krijgsdienst te zijn geweest, komt hij terecht op een oorlogsschip om vervolgens weer te gaan varen voor de koopvaarder Lampsins. Tragisch is het einde van zijn eerste twee huwelijken. Beide malen overlijdt zijn vrouw terwijl hij op zee is. Zijn tweede vrouw laat hem vier kinderen na, de oudste is elf jaar, de jongste slechts zestien maanden. Twee jaar later hertrouwt hij met de weduwe Annetje van Gelder, wier man op zee is omgekomen. Ze heeft twee kinderen. Met haar start hij een nieuw leven aan wal. Dat is van korte duur. Vanwege zijn expertise op zee wordt hij gevraagd om leiding te geven aan de oorlogsvloot, vanwege spanningen met de Engelsen. Hierbij maakt hij grote naam en faam. Hij verhuist van Vlissingen naar Amsterdam. Het liedje van de Rop zingt: „Daar staat Hollands admiraal / nu een man van vuur en staal / de schrik der zee / ’t Is een ruiter naar de aard / glorierijk zit hij te paard.” Met al zijn successen bleef hij echter een eenvoudig man. Het Woord Gods was zijn kompas. Toen hij in februari 1676 26 Hongaarse lutherse en gereformeerde predikanten van de Spaanse galeien bevrijdde, vermaande hij hen tot eensgezindheid, nu ze samen kennis hadden gemaakt met de roomse vervolging. Op 29 april 1676 overleed Michiel de Ruyter aan de verwondingen die hij opliep in een strijd tegen de Fransen. Hij liet een geestelijk goed getuigenis na. Bij zijn bijzetting in de Nieuwe kerk te Amsterdam werd door ds. Ludovicus Wolzogen gesproken over: „mijn vader, mijn vader, wagen Israëls en zijn ruiteren.” Als Michiel het had geweten, had hij hem mogelijk met psalm 20:9 geïnterrumpeerd: „Dezen vermelden van wagens, en die van paarden; maar wij zullen vermelden van den Naam des HEEREN, onzes Gods.”