Onzichtbaar verbonden

Gerjanne v Lagen - onderwijscolumn- Pieter Zandt Kampen (17)-site

Net toen ik Fieke haar laatste hapje banaan voerde, remde de vrouw bij mij af. Ze had lange losse haren en met haar rechterhand hield ze én het stuur én een hondenriem vast. Achter op haar fiets had ze een zelfgeplukt boeketje vastgebonden; de fluitenkruid hing ver over de bagagedrager heen, alsof de bloemen voor mij bogen.

‘Hebt u vier jongens en één meisje?’, viel de vrouw met de deur in huis, al had de situatie geen deur en ook geen huis, want ik zat op een bankje in ons stadspark, de kinderen links en rechts achter mij in het gras, Fieke op mijn schoot. De vrouw knikte naar mijn kroost, toen naar Fieke. ‘Nee,’ zei ik. ‘Drie jongens en twee meisjes. Fieke is een meisje,’ en ik keek naar Fieke. De vrouw keek ook naar Fieke, stapte nog iets verder van haar fiets en zei: ‘Heeft ze het syndroom van Down?’ Haar vraag was niet nieuwsgierig, ik proefde een soort hartelijke openheid, maar het kan ook zijn dat het fluitenkruid alles aan haar zo lieflijk maakte. Hoe dan ook waardeerde ik het. Haar directheid. Haar hardop-denken. Dat ze niet stoïcijns wegfietste en tegen haar hond zou zeggen: ‘Dat kleine meisje was vast niet goed.’ Frank en vrij keek ze van mij naar Fieke. ‘Ze heeft een syndroom, ja,’ zei ik, en ik had opeens totaal geen energie om uit te leggen welk syndroom en wat dat dat voor haar en ons betekende. ‘Ik heb zes dochters,’ zei de vrouw ongevraagd vanuit het niets. En toen: ‘Ze zijn allemaal de deur uit. Behalve één. De jongste. Zij is verstandelijk beperkt en autistisch. Zij woont bij mij. We zorgen voor elkaar.’ Opeens wilde ik dat de vrouw naast me ging zitten op het bankje. Ik wilde thee voor haar zetten, of samen met haar fluitenkruid plukken, ik wilde luisteren naar haar leven. Maar ik zei niets, hoefde ook niets te zeggen, want de vrouw sprak al verder, en ze keek niet naar mij maar naar de bomen: ‘Maar jij hebt het moeilijker dan ik. Door de tijd waarin jij leeft. Nu moet zoveel. De maatschappij is zo veeleisend. Ik had een tweedehands autootje en dat was genoeg. En een hondje. En kinderfeestjes in de tuin. Zo simpel was het.’ Het praten werd een mijmeren en even dacht ik dat ze vergeten was dat ik daar op het bankje zat. Even dacht ik dat ze in zichzelf praatte, alsof ze al peinzend in haar dagboek schreef, taal gaf aan haar herinneringen. ‘Red jij het?’ vroeg ze toen opeens, en de vraag was zo helder eenvoudig dat de woorden bijna van glas leken. ‘Ik denk het, ‘zei ik, en ik meende het. ‘Ik doe het niet alleen.’ En ik geloof dat ik aan een Ander dacht dan zij, maar ik liet het zo, het was een gesprek met weinig woorden en veel inhoud. ‘Je moet mild zijn voor jezelf,’ was haar advies, en toen zag ik dat ze twee dunne sjaals om had, los hangend om haar nek, als verlengstukken van haar lange haren. ‘En zij zal je leren wat onvoorwaardelijk liefhebben is,’ en ze knikte naar Fieke, haar ene voet weer op de trapper. Ik geloof dat ik maar een stuk of tien woorden gezegd heb en toch voelde het alsof zij naar míj geluisterd had in plaats van andersom en ik wilde wat zeggen, haar terugtroosten, of haar bedanken met een boterbloem. Want ik geloof dat ze dat werkelijk op prijs zou stellen. Een boterbloem als cadeau. Maar ze fietste al weg, haar hoofd wat gebogen over haar stuur, de hond met tong en al hijgend achter haar aan, zijn staart net zo vermoeid gebogen als het fluitenkruid.

En daar, zittend op het bankje in het stadspark, heb ik heel bewust gevoeld wat ik al vaker voelde: ik ben met onzichtbare draden verbonden aan mensen met een kind met een afwijking. Met een handicap. Of een ziekte. Het zijn allemaal verschillende verhalen, maar we vinden elkaar allemaal in het midden. Daar ontmoeten we elkaar. Soms. Blijkt een half woord genoeg. Blijkt één blik voldoende. Blijkt hun moederhart te echoën in het mijne.

Ik heb mijn kroost uit hun hutten geplukt, steppen uit de bosjes gevist en Fieke in de draagzak geborgen. De woorden van de vrouw golfden mee op de cadans van mijn voetstappen: ‘Wij zorgen voor elkaar.’ En ook al begreep ik niet hoe ze het bedoelde, toch begreep ik het helemaal precies. Zo wandelden we het stadspark uit. En op één of andere onverklaarbare manier voelde het alsof ik uit een schilderij stapte.

beeld: Renate Bleijenberg-van Leeuwen

Auteur

Gerjanne van Lagen

Volg ons lifestyle platform op instagram.